Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/6.3.1
6.3.1 Verkrijging van een betalingsbevel in Nederland
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS373464:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In de literatuur wordt ook nog op de mogelijkheid van de 'oneigenlijke' incassoprocedure gewezen, namelijk het faillissement ter incasso. Zie meer over incassoprocedures in Nederland: M. Freudenthal, Incassoprocedures, diss. UU, Deventer: Kluwer 1996.
Op 30 december 1991 is de wet van 31 januari 1991 (Stb. 1991, 50) in werking getreden die tot de invoering van één kantonrechterlijke procedure heeft geleid. De speciale incassoprocedure is komen te vervallen omdat deze in verband met de daaraan verbonden griffiekosten in ongebruik is geraakt.
Voor een uitgebreidere behandeling van de kantonrechterlijke procedure tot verkrijging van een betalingsbevel wordt verwezen naar W. Hugenholtz, Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk Procesrecht, bewerkt door W.H. Heemskerk, 15e druk, 's-Gravenhage: VUGA 1988, nrs. 107-110.
In Nederland bestaat thans geen bijzondere procedure tot verkrijging van een rechterlijk betalingsbevel. In de praktijk wordt veelvuldig gebruikgemaakt van het incasso kort geding. De eiser stelt in kort geding een vordering tot verkrijging van (een voorschot tot) betaling in. Gezien het feit dat de kort geding-procedure als een procedure tot het gelasten van een voorlopige maatregel snel en informeel verloopt, kan de eiser op korte tijd een rechterlijke beslissing verkrijgen. Nu in een dergelijk geval geen verplichting tot het instellen van een vordering in de bodemprocedure bestaat, wordt in de praktijk deze procedure vaak als ware het een bodemprocedure gebruikt. Partijen zien in vele gevallen af van het instellen van een bodemprocedure en accepteren derhalve de beslissing in het kort geding als een eindbeslissing. Naast de kort geding-procedure geschiedt de schuldinning ook via een gewone bodemprocedure bij de rechtbank; afhankelijk van het bedrag wordt de vordering bij de rechtbank dan wel bij de sector kanton van de rechtbank ingesteld.1
Tot 30 december 19912 bestond in Nederland de kantonrechterlijke procedure tot verkrijging van een betalingsbevel. Ingevolge art. 125k tot en met art. 125v Rv (oud) was het mogelijk op een eenvoudige wijze - namelijk door het invullen van een formulier, dat zelfs in de boekhandel verkrijgbaar was - een vordering bij de kantonrechter in te stellen. De vordering mocht niet hoger zijn danf 2500, de vordering moest ter nakoming van een overeenkomst dienen en de debiteur moest zijn woon- of verblijfplaats in Nederland hebben. Indien de voorgeschreven formaliteiten in acht waren genomen en de debiteur binnen vier weken na de ontvangst van een afschrift van het verzoekschrift van de crediteur niet had gereageerd, vaardigde de kantonrechter een betalingsbevel uit, tenzij het verzoek hem onrechtmatig dan wel ongegrond voorkwam. Werd door de debiteur bezwaar gemaakt, dan vaardigde de kantonrechter een verwijzingsbeschikking uit en verwees partijen door naar een bodemprocedure. Het door de kantonrechter uitgevaardigde betalingsbevel had de kracht van een verstekvonnis. Dit betekent dat de debiteur tegen het bevel verzet kon instellen.3