De acting in concert-regeling inzake het verplicht bod op effecten
Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/5.2.2.1:5.2.2.1 Inleiding
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/5.2.2.1
5.2.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS372378:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In art. 1:1 Wft wordt het begrip “personen met wie in onderling overleg wordt gehandeld” gedefinieerd als personen met wie wordt samengewerkt met het oog op het verwerven van overwegende zeggenschap of het dwarsbomen van een aangekondigd openbaar bod. Als deze personen gezamenlijk 30% of meer van de stemrechten kunnen uitoefenen ontstaat er een biedplicht op grond van art. 5:70 lid 1 Wft. In concernverhoudingen geldt in navolging van art. 2 lid 2 Overnamerichtlijn een vermoeden van onderling overleg (§ 11.3).
Sinds het eerste ontwerp van een Nederlandse acting in concert-regeling is vanuit de praktijk aandacht gevraagd voor de vele onduidelijkheden daarin (zie eerder § 1.2). De wetgever heeft hieraan niet tegemoet willen komen. Latere aanpassingen aan de verplicht bod-regeling betroffen weliswaar de acting in concert-regels, maar brachten veelal nieuwe vrijstellingen en wijzigingen in de reeds bestaande (zie hoofdstuk 15). Ook de ESMA-white list uit 2013, waarin de Europese toezichthouder op de effectenmarkt door middel van beleidsregels uiteenzet welke gedragingen worden vermoed geen acting in concert op te leveren, brengt in Nederland niet de gewenste duidelijkheid. Dat komt omdat hier niet toezichthouder AFM, maar de Ondernemingskamer van het Hof Amsterdam (OK) bevoegd is inzake de biedplicht; als onafhankelijke rechter is zij niet gebonden aan de white list (zie § 5.2.5 en § 16.3.4.2 sub II).