Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/9.1
9.1 Het karakter van de interstatelijke rechtshulprelatie
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS452172:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover H. Schultz, ‘Section 1. The Classic Law of Extradition and Contemporary Needs’, in: M. Cherif Bassiouni & V.P Nanda (red.), A Treatise on International Criminal Law, Volume II – Jurisdiction and Cooperation, Leiden: Brill/Nijhoff, p. 309-326, 323; G.A.M. Strijards, Hoofdstukken Internationaal Strafrecht, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2004, p. 64-67; A.H.J. Swart, Nederlands Uitleveringsrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1986, p. 20-21
A.H.J. Swart, Nederlands Uitleveringsrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1986, p. 22-23; J.M. Sjöcrona, De kleine rechtshulp, Arnhem: Gouda Quint 1990, p. 21-25, J.M. Sjöcrona & A.M.M. Orie, Internationaal strafrecht vanuit Nederlands perspectief, Studiepockets strafrecht 6, Deventer: Kluwer 2002, p. 15-19; E. van Sliedregt & J.M. Sjöcrona, ‘1. Algemene inleiding’, in: E. van Sliedregt, J.M. Sjöcrona & A.M.M. Orie, Handboek Internationaal Strafrecht, Deventer: Kluwer 2008, p. 1-27, 10-15. Zie ook, in een iets ander opzicht, I.A. Shearer, Extradition in international law, Manchester: Manchester University Press 1971, p. 197-200.
Zie HR 5 oktober 2010, NJ 2011, 169, m.nt. Schalken. Door te overwegen dat een inbreuk op de soevereiniteit ‘in beginsel’ niet relevant is in een concrete strafzaak houdt de HR de mogelijkheid in uitzonderingsgevallen anders te beslissen open.
Zie bijv. art. 14 EUV. De specialiteitsregel is in het uitleveringsrecht zeer gebruikelijk. Bij andere vormen van rechtshulp wordt zij niet of nauwelijks toegepast, enkele verdragen inzake kleine rechtshulp uitgezonderd. Zie bijvoorbeeld art. 11 lid 2 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken, 12 juni 1991, Trb. 1981, 188, dat bepaalt: ‘De verzoekende Staat gebruikt zonder voorafgaande toestemming van de aangezochte Staat, geen bij de toepassing van dit Verdrag verkregen bewijsmateriaal, of gegevens daaraan ontleend, voor andere doeleinden dan dewelke in het verzoek zijn vermeld.’. Zie over deze bepaling en enkele andere voorbeelden: J.M. Sjöcrona, De kleine rechtshulp, Arnhem: Gouda Quint 1990, p. 156-158. Een vergelijkbare bepaling is te vinden in het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, 26 oktober 1988, Trb. 1989, 13 (‘De verzoekende Staat mag het verkregen bewijs of de daaruit afgeleide inlichtingen niet gebruiken voor andere doeleinden dan vermeld in het verzoek zonder de voorafgaande toestemming van de aangezochte Staat.’). Het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Speciale Administratieve Regio Hong Kong van de Volksrepubliek China inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, 26 augustus 2002, Trb. 2002, 175 biedt in art. 8, eerste lid, een expliciete verdragsgrondslag voor het maken van een specialiteitsvoorbehoud: ‘De aangezochte Partij kan eisen dat de verzoekende Partij zonder voorafgaande toestemming van de centrale autoriteit van de aangezochte Partij gegevens of bewijs dat met toepassing van dit Verdrag is verkregen, niet gebruikt bij enig andere onderzoeken, strafvervolgingen of gerechtelijke procedures dan die welke zijn omschreven in het verzoek. In een dergelijke situatie zal de verzoekende Partij de voorwaarden naleven.’
Locus standi of standing voor de betrokken justitiabele
Bij het voorgaande is van belang de meer algemene vraag naar het karakter van een interstatelijke rechtshulprelatie en daaruit voortspruitende voorschriften. Klassiek werd rechtshulp als een louter interstatelijke aangelegenheid gezien.1 De betrokken burger, meestal als verdachte of veroordeelde, was weliswaar betrokkene, maar geen juridische belanghebbende bij de rechtshulprelatie; hij was object daarvan. Thans lijken de opvattingen daarover te zijn veranderd.2 Een groot deel van de bepalingen neergelegd in rechtshulpverdragen hebben, in elk geval mede, een rechtsbeschermend karakter. Uitzondering vormt wellicht de zuivere inbreuk op de soevereiniteit van de vreemde staat. Het belang dat daarmee wordt geschonden is dat van de vreemde staat en niet dat van de verdachte. Slechts in zeer bijzondere gevallen is dat wellicht anders.3
Gelet op het voorgaande kan niet langer worden volgehouden dat de betrokken justitiabele in geen geval een beroep op een van die voorschriften toekomt; hij heeft in beginsel standing of locus standi. Per voorschrift of bepaling zal moeten worden bekeken wat de strekking ervan is.
Rechtsbeschermend karakter van het voorschrift
Het rechtsbeschermende karakter van het voorschrift kan evenwel meer of minder op de voorgrond treden. Een bepaling die betrekking heeft op de wijze waarop een verzoek tot rechtshulp door de ene aan de andere staat moet worden gericht, heeft naar het zich laat aanzien geen rechtsbeschermend karakter; zij is louter van belang met het oog op de interstatelijke verhouding.4 Dat is anders voor bijvoorbeeld een bepaling die de specialiteitsregel van toepassing verklaart op een bepaalde vorm van samenwerking.5 Het belang van de justitiabele speelt ten minste mede een rol bij de specialiteitsregel. Hoewel ook staatsbelangen in het geding zijn, vervult de bepaling ook de functie van bescherming tegen al te ruime vervolging.