Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VI.4.2.4
VI.4.2.4 Onafhankelijkheid van de niet-uitvoerende bestuurders
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242729:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Evenzo Den Boogert, Ondernemingsrecht 2005/87; Honée, NV 1996, afl. 74, p. 276; De Jongh 2014, p. 245; Kroeze, Ondernemingsrecht 2005/92; en Voorduin 1840, p. 180.
HR 1 april 1949, NJ 1949, 465 m.nt. Houwing (Doetinchemse IJzergieterij).
Zie hierover Kroeze, Ondernemingsrecht 2005/92; Van Ginneken, Ondernemingsrecht 2012/134; en Timmerman 2009, p. 22. Voor de volledigheid merk ik op dat (empirisch) onderzoek niet heeft aangetoond dat onafhankelijkheid een aantoonbare positieve invloed heeft op de prestaties van ondernemingen. Zie Van Ginneken, Ondernemingsrecht 2012/134, met verdere literatuurverwijzingen.
Zie best practice bepaling 2.1.7 onderdeel iii van de Code. Het verdient opmerking dat best practice bepaling 2.1.7 onderdeel iii naar ‘meer dan tien procent’ verwijst. Kleipool, Van Olffen & Roelvink 2017, p. 79, nemen aan dat in lijn met best practice bepaling 2.1.8 onderdelen vi en vii is gedoeld op ‘ten minste tien procent’.
Uit best practice bepaling 2.1.8 volgt dat een commissaris niet onafhankelijk is indien hij, dan wel zijn echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in de tweede graad (i) in de vijf jaar voorafgaand aan de benoeming werknemer of bestuurder van de vennootschap is geweest; (ii) een persoonlijke financiële vergoeding van de vennootschap of van een aan haar gelieerde vennootschap ontvangt, anders dan de vergoeding die voor de als commissaris verrichte werkzaamheden wordt ontvangen en voor zover zij niet past in de normale uitoefening van het bedrijf; (iii) in het jaar voorafgaand aan de benoeming een belangrijke zakelijke relatie met de vennootschap of een aan haar gelieerde vennootschap heeft gehad; (iv) bestuurder is van een vennootschap waarin een bestuurder van de vennootschap waarop hij toezicht houdt commissaris is; (v) gedurende de voorgaande twaalf maanden tijdelijk heeft voorzien in het bestuur bij belet en ontstentenis van bestuurders; (vi) een aandelenpakket in de vennootschap houdt van ten minste tien procent, daarbij meegerekend het aandelenbezit van natuurlijke personen of juridische lichamen die met hem samenwerken op grond van een uitdrukkelijke of stilzwijgende, mondelinge of schriftelijke overeenkomst; of (vii) bestuurder of commissaris is bij of anderszins vertegenwoordiger is van een rechtspersoon die direct of indirect ten minste tien procent van de aandelen in de vennootschap houdt, tenzij het gaat om groepsmaatschappijen.
Zie voor de criteria van best practice bepaling 2.1.8 voetnoot 150.
Seinstra, O&F 2008, afl. 4, p. 65.
Althans, voor zover geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid die art. 2:129a/239a lid 3 BW biedt. Zijn de uitvoerende bestuurders zelfstandig bevoegd bestuursbesluiten te nemen, dan snijdt het argument van Seinstra evenmin hout.
Zie § VI.3.2.
Zie § VI.2.3. Zoals ik in § V.7.1 al schreef, vergaderen de uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders zo nu en dan ook zonder elkaar.
Verdam, Ondernemingsrecht 2018/117.
Idem Verdam, Ondernemingsrecht 2018/117. Zie in gelijke zin ook Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 2 (MvA).
Dit voorschrift bevordert volgens de minister onafhankelijk toezicht, zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 15 (NV); en Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 2 (MvA). Bij dit voorschrift stond ik reeds in § V.5.2.3 stil.
Zie § IV.2.2.2.e.
Zie Kamerstukken II 1969/70, 10 751, 3, p. 12 (MvT).
Zie art. 2:132/242 lid 2 BW, waarover § IV.2.2.3.a.
Zie in deze zin bijvoorbeeld art. 13.5 van de statuten van Amsterdam Commodities NV d.d. 28 april 2017.
Zie principe 5.1 van de Code.
Zie best practice bepaling 5.1.1 van de Code.
Zie best practice bepaling 2.1.10 van de Code. Dat de niet-uitvoerende bestuurders over deze onderwerpen verslag moeten doen, volgt uit best practice bepaling 5.1.5 van de Code.
Kroeze, Ondernemingsrecht 2005/95. Zijn standpunt is nadien onderschreven door onder anderen Van Ginneken, Ondernemingsrecht 2012/134; Seinstra, O&F 2008, afl. 4, p. 66; en Timmerman 2009, p. 22.
Van Ginneken, Ondernemingsrecht 2012/134. Idem Kroeze, Ondernemingsrecht 2005/92.
Zie code provision 11 van de UK CGC 2018.
Zie code provision 10 van de UK CGC 2018. Een non-executive director wordt geacht niet onafhankelijk te zijn indien hij (i) in de afgelopen vijf jaar in dienst van de vennootschap of een aan haar gelieerde vennootschap is geweest; (ii) in de afgelopen drie jaar een belangrijke zakelijke relatie met de vennootschap had of partner, aandeelhouder, uitvoerend bestuurder of senior medewerker van een vennootschap is geweest die een belangrijke zakelijk relatie met de vennootschap had; (iii) een aanvullende beloning ontvangt of heeft ontvangen, anders dan de beloning voor de als non-executive director verrichte werkzaamheden, een variabele beloning in opties op aandelen ontvangt of deelneemt aan het pensioenplan; (iv) nauwe familiebanden heeft met een adviseur, bestuurder of senior medewerker van de vennootschap; (v) executive director is van een vennootschap waarin een executive director van de vennootschap waarop hij toezicht houdt non-executive director is (cross-directorship) of belangrijke banden heeft met andere bestuurders door participatie in andere bedrijven; (vi) een grootaandeelhouder vertegenwoordigt; of (vii) meer dan negen jaar vanaf zijn eerste benoeming in functie is geweest.
Zie code provision 10 van de UK CGC 2018. Het is overigens aan de non-executive directors om de board van de informatie te voorzien die nodig is voor de beoordeling van hun onafhankelijkheid. Ook behoren de non-executives de board op de hoogte te stellen van gewijzigde omstandigheden die van invloed kunnen zijn op hun onafhankelijkheid. Zie § 102 van de Guidance on Board Effectiveness 2018.
Aldus ook Van Zijl 2012, p. 185 en 196.
Idem Bruce 2018, p. 8-9; en Davies 2013, p. 740.
Zie code provision 10 van de UK CGC 2018. Zo meent Coyle dat een non-executive director niet als onafhankelijk heeft te gelden wanneer hij uitvoerende taken van de executives overneemt. Zie Coyle 2019, p. 39.
Zie code provision 15 van de Proposed Revisions to the UK Corporate Governance Code, p. 6; en Feedback Statement Consulting on a revised UK Corporate Governance Code, p. 11.
Zie Feedback Statement Consulting on a revised UK Corporate Governance Code, p. 11.
Zie Feedback Statement Consulting on a revised UK Corporate Governance Code, p. 11.
Zie code provision 10 van de UK CGC 2018. Dit voorschrift wordt ook wel de ‘nine-year rule’ genoemd, zie bijvoorbeeld Coyle 2019, p. 69-71. Koster, MvO 2018, afl. 5-6, p. 155, gaat er ten onrechte van uit dat de ‘nine-year rule’ pas in de meest recente versie van de Code het licht zag. De bepaling is al sinds 2003 in de Code te vinden, zie code provision A.3.1 van de UK Combined Code 2003.
Onder anderen Coyle 2019, p. 69; Koster, MvO 2018, afl. 5-6, p. 155; en Van Zijl 2012, p. 189.
Evenzo Coyle 2019, p. 69. Zie ook meer in algemene zin het Higgs Report 2003, § 9.6.
Dat is althans het uitgangspunt, want zoals gezegd geeft het subjectieve oordeel van de board de doorslag. Zie code provision 10 van de UK CGC 2018. Zie ook expliciet § 103 van de Guidance on Board Effectiveness 2018.
Koster, MvO 2018, afl. 5-6, p. 155.
Zie de toelichting op best practice bepaling 2.2.2 van de Code: “De effectiviteit van de raad van commissarissen wordt bepaald door de samenstelling, waarbij omvang, deskundigheid, diversiteit en onafhankelijkheid bepalend zijn. Bij herbenoeming wordt kritisch gekeken of de betreffende commissaris met gepaste afstand toezicht houdt en of de nodige kennis en ervaring in de raad van commissarissen aanwezig zijn.”
Met een op de Nederlandse Code toegespitste variant doel ik op een ‘eight-year rule’, aangezien de Nederlandse Code uitgaat van een periode van acht jaar.
Ook Coyle 2019, p. 69, lijkt deze mening te zijn toegedaan.
Voor effectief toezicht is ten slotte van belang dat de niet-uitvoerende bestuurders voldoende onafhankelijk kunnen opereren. Deze gedachte is niet altijd gemeengoed geweest. Oorspronkelijk werden commissarissen beschouwd als lasthebbers van de algemene vergadering. Commissarissen waren er vooral om toezicht te houden voor de algemene vergadering, omdat zij daartoe niet goed in staat was.1 Eerder schreef ik al dat deze opvatting in 1949 is verlaten. In het arrest Doetinchemse IJzergieterij bepaalde de Hoge Raad dat commissarissen zich bij hun taakuitoefening niet behoren te richten naar het belang van de aandeelhouders, maar naar het belang van de vennootschap.2 Dat volgt sinds 1971 ook met zoveel woorden uit de wet.3
De heersende opvatting is nog altijd dat commissarissen onafhankelijk van de aandeelhouders moeten kunnen opereren om behoorlijk toezicht te kunnen houden.4 Deze gedachte ligt ook ten grondslag aan de Code. De Code limiteert het aantal vertegenwoordigingen per aandeelhouder (of groep van verbonden aandeelhouders) die direct of indirect meer dan tien procent van de aandelen houdt namelijk tot één commissaris.5
De onafhankelijkheidseisen uit de Code zien niet alleen op de onafhankelijkheid van commissarissen ten opzichte van aandeelhouders. Zij zijn breder. Dit komt tot uitdrukking in best practice bepaling 2.1.7 onderdeel i, waarin is vastgelegd dat alle commissarissen, met uitzondering van maximaal één commissaris, onafhankelijk behoren te zijn in de zin van best practice bepaling 2.1.8 onderdelen i t/m v.6 Ook bevat de Code een voorschrift om de onafhankelijkheid van de raad van commissarissen als geheel te waarborgen. Volgens best practice bepaling 2.1.7 onderdeel iii behoort het aantal commissarissen waarop de criteria van best practice bepaling 2.1.8 van toepassing zijn, tezamen minder dan de helft van het totale aantal commissarissen te zijn.7
De gedachte is dat niet alleen commissarissen, maar ook niet-uitvoerende bestuurders onafhankelijk van elkaar, van de uitvoerende bestuurders en van welk deelbelang dan ook moeten kunnen opereren teneinde behoorlijk toezicht te kunnen houden. Volgens Seinstra is dat een onmogelijke opgave. Zij meent dat de niet-uitvoerende bestuurders per definitie de onafhankelijkheid ontberen die nodig is voor een behoorlijke taakvervulling. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst zij erop dat de niet-uitvoerende bestuurders deelnemen aan de bestuurlijke besluitvorming en deze vervolgens zelf moeten controleren.8
Het argument van Seinstra overtuigt mij niet. Het is juist dat de niet-uitvoerende bestuurders deelnemen aan de bestuurlijke besluitvorming.9 Maar het is niet zo dat zij deze besluitvorming vervolgens moeten controleren. Zoals gezegd, speelt het toezicht van de niet-uitvoerende bestuurders zich al af vóórdat het bestuursbesluit is genomen. Het toezicht van de niet-uitvoerende bestuurders uit zich kort gezegd in een stem voor of tegen het voorgenomen besluit.10 Bovendien ligt het voor de hand dat besluiten die door het bestuur als geheel moeten worden genomen, worden voorbereid door de uitvoerende bestuurders. De niet-uitvoerende bestuurders staan derhalve meer op afstand en fungeren voornamelijk als klankbord.11 Tegen deze achtergrond ben ik net als Verdam van mening dat de niet-uitvoerende bestuurders wel degelijk een onafhankelijke positie kunnen innemen.12 Zowel in het monistische als in het dualistische bestuursmodel hangt de onafhankelijkheid van de toezichthouders mijns inziens primair af van de opstelling van de personen die de toezichthoudende functie vervullen.13
Boek 2 BW bevat geen bepalingen die de onafhankelijkheid van de niet-uitvoerende bestuurders waarborgen. Wel bevat Boek 2 BW bepalingen waarin rekening wordt gehouden met de onafhankelijkheid van de niet-uitvoerende bestuurders. Deze bepalingen zijn niettemin op de vingers van één hand te tellen. Ik wijs allereerst op art. 2:129a/239a BW. Uit het eerste lid van deze bepaling volgt dat het voorzitterschap van het bestuur niet aan een uitvoerend bestuurder kan worden opgedragen.14 Voor structuurvennootschappen bepaalt art. 2:164a/274a lid 1 jo. 2:160/270 BW voorts dat personen die in dienst zijn van de vennootschap of een afhankelijke maatschappij, niet tot niet-uitvoerend bestuurder benoemd kunnen worden. Hetzelfde geldt voor bestuurders en personen in dienst van een vakbond.15 Volgens de minister kunnen deze personen niet voldoende vrij en onafhankelijk tegenover de leiding van de vennootschap en haar personeel staan.16
Boek 2 BW biedt overigens wel ruimte om in de statuten van niet-structuurvennootschappen kwaliteitseisen op te nemen teneinde de onafhankelijkheid van de niet-uitvoerende bestuurders te waarborgen.17 Zo kan bijvoorbeeld in lijn met art. 2:164a/274a lid 1 jo. 2:160/270 BW worden bepaald dat een niet-uitvoerend bestuurder niet in dienst van de vennootschap mag zijn.18
De Code bevat daarentegen een uitgebreide regeling om de onafhankelijkheid van de niet-uitvoerende bestuurders te waarborgen. Hij schrijft voor dat de samenstelling en het functioneren van het bestuur waarvan zowel uitvoerende als niet-uitvoerende bestuurders deel uitmaken, zodanig is dat onafhankelijk toezicht is gewaarborgd.19 Om onafhankelijk toezicht te kunnen waarborgen, zijn de hierboven besproken onafhankelijkheidscriteria voor commissarissen van overeenkomstige toepassing op de niet-uitvoerende bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen.20 De niet-uitvoerende bestuurders behoren op grond van best practice bepaling 5.1.5 van de Code in het verslag te vermelden dat naar hun oordeel aan de onafhankelijkheidseisen is voldaan. Zij behoren daarbij aan te geven welke niet-uitvoerende bestuurder(s) zij als niet-onafhankelijk beschouwen.21 Ik betwijfel of deze bepalingen daadwerkelijk een garantie voor onafhankelijk toezicht bieden.
Het is maar de vraag of onafhankelijkheid in objectieve criteria te vangen is. Kroeze wees er al in 2005 op dat objectieve criteria niet altijd recht doen aan de werkelijkheid.22 Bovendien ligt het ‘tick the box’-gevaar op de loer. Dat een niet-uitvoerend bestuurder niet aan de objectieve criteria voldoet, wil niet noodzakelijkerwijs zeggen dat hij onafhankelijk kan opereren en vice versa. Onafhankelijkheid is – in de woorden van Van Ginneken – een ‘state of mind’ die niet met objectieve bepalingen is af te dwingen.23
De UK Corporate Governance Code 2018 biedt mijns inziens een betere garantie voor onafhankelijk toezicht. De UK Corporate Governance Code 2018 schrijft voor dat ten minste de helft van de board, uitgezonderd de voorzitter, uit onafhankelijke non-executive directors bestaat.24 Anders dan de Nederlandse Code, biedt de UK Corporate Governance Code 2018 ruimte voor een subjectief oordeel over de onafhankelijkheid van de non-executive director. De Engelse Code bevat een lijst met zeven objectieve onafhankelijkheidscriteria.25 Is aan een van deze criteria voldaan of doen zich andere relevante omstandigheden voor die de onafhankelijkheid van de niet-uitvoerende bestuurder kunnen beïnvloeden, dan wil dat evenwel niet zeggen dat de non-executive director niet onafhankelijk is. De board geeft namelijk de doorslag: “Where any of these or other relevant circumstances apply, and the board nonetheless considers that the non-executive director is independent, a clear explanation should be provided.”26 De UK Corporate Governance Code 2018 heeft dus niet alleen oog voor independence in form, maar ook voor independence in fact and in appearance.27 Zelfs wanneer de non-executive director volgens de objectieve criteria als niet-onafhankelijk heeft te gelden, kan de board dit oordeel overrulen en bepalen dat hij onafhankelijk is.28 Het subjectieve oordeel werkt overigens ook de andere kant op. De lijst met de zeven objectieve onafhankelijkscriteria is namelijk niet limitatief. Ook als de niet-uitvoerende bestuurder aan geen van deze criteria voldoet, kan de board oordelen dat hij toch als niet-onafhankelijk heeft te gelden.29
Vermeldenswaardig is dat de ruimte voor een subjectief oordeel van de board niet in de conceptversie van de UK Corporate Governance Code 2018 was te vinden. De Financial Reporting Council stelde voor de onafhankelijkheid van de non-executive directors enkel te beoordelen aan de hand van de zeven objectieve criteria.30 Dit voorstel stuitte op protest.31 De Financial Reporting Council besloot de board daarop toch – net als in de Code uit 2016 – het laatste woord te geven.32
Tot slot wil ik stilstaan bij de onafhankelijkheidscriteria. Het gros van deze criteria is eveneens in de Nederlandse Code te vinden. Dit gaat niet op voor het laatste criterium. Ingevolge code provision 10 van de UK Corporate Governance Code 2018 is een non-executive director niet onafhankelijk wanneer hij meer dan negen jaar vanaf zijn eerste benoeming bij de vennootschap in functie is geweest.33 De gedachte is dat de onafhankelijkheid van de non-executive met het verstrijken van de jaren afneemt. Aangezien hij steeds meer vergroeid raakt met de vennootschap, bestaat het risico dat hij nonchalant wordt.34 Dit wil overigens niet zeggen dat een non-executive director zijn functie niet langer dan negen jaar mag vervullen. Is hij juist vanwege zijn ervaring waardevol voor de vennootschap, dan kan hij uiteraard aanblijven.35 Hij heeft dan slechts niet meer als onafhankelijk te gelden.36
Net als Koster meen ik dat voor dit criterium iets te zeggen valt.37 Ik kan mij goed voorstellen dat de onafhankelijkheid van de non-executive director na verloop van tijd afneemt. Ook de Monitoring Commissie is zich van dit risico bewust. Aan het voorschrift dat de herbenoeming van een niet-uitvoerend bestuurder na een periode van acht jaar moet worden gemotiveerd in het (niet-uitvoerende) bestuursverslag, liggen namelijk dezelfde redenen ten grondslag.38 Aangezien de onafhankelijkheid van de niet-uitvoerende bestuurders thans louter aan de hand van objectieve criteria wordt beoordeeld, acht ik het toch onverstandig een op de Nederlandse Code toegespitste variant van het Engelse criterium aan de onafhankelijkheidscriteria toe te voegen.39 Dat zou immers tot gevolg hebben dat een niet-uitvoerend bestuurder noodzakelijkerwijs als niet-onafhankelijk heeft te gelden wanneer hij meer dan acht jaar in functie is. Dat is niet de bedoeling. Voor een dergelijk voorschrift is mijns inziens slechts plaats wanneer uitzonderingen mogelijk zijn.40 Dat de Nederlandse Code die ruimte niet biedt, vind ik jammer. Het thans vigerende statische voorschrift doet zoals gezegd niet altijd recht aan de werkelijkheid. Om de onafhankelijkheid van de niet-uitvoerende bestuurders beter te waarborgen, raad ik de Monitoring Commissie aan een blik te werpen op de UK Corporate Governance Code 2018. Niet alleen in verband met de onafhankelijkheidscriteria, maar ook vanwege de ruimte die de UK Corporate Governance Code 2018 biedt voor een subjectief oordeel over de onafhankelijkheid van de niet-uitvoerende bestuurder.
Ik concludeer dat de samenstelling van de one tier board cruciaal is voor effectief toezicht. Maar dit wil niet zeggen dat effectief toezicht in een naar behoren samengesteld bestuur gegarandeerd is. Daarvoor is tevens van belang dat de niet-uitvoerende bestuurders tijdig over kwalitatief goede informatie beschikken en slagvaardig kunnen optreden.