Einde inhoudsopgave
Toegang tot het recht bij massaschade (R&P nr. 150) 2007/4.6.3
4.6.3 De class als entiteit
mr. I.N. Tzankova, datum 30-03-2007
- Datum
30-03-2007
- Auteur
mr. I.N. Tzankova
- JCDI
JCDI:ADS593779:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Shapiro 1998, p. 923-7. In de setting van strooischade levert het model minder problemen op, omdat de rationele desinteresse-problematiek het praktische belang van het concept van partijautonomie neutraliseert. Over de rationele desinteresse problematiek bij strooischade zie Tzankova 2005, p. 23.
Shapiro 1998, p. 927.
Shapiro 1998, p. 932.
Hensler 1989, p. 92-5, 1989, Rosenthal 1974, Lind e.a. 1989, Sarat & Felstiner 1989. Zie ook Mullenix 1994, p. 586, noten 25 en 26.
Voor de methodologische verantwoording en beperkingen van de verschillende onderzoeken zie Lind e.a. 1989, Hensler 1989, p. 92-100 en in het bijzonder noot 20, Sarat & Felstiner 1989, p. 166970.
Mullenix 1994, p. 586-7. Volledigheidshalve moet worden opgemerkt dat zij dit punt in een ander verband maakt en niet in het kader van de discussie of de class een zelfstandige entiteit is. Haar artikel gaat vooral over de vraag of voor advocaten die in de setting van massaschade optreden andere dan de klassieke beroepsethische maatstaven zouden moeten gelden.
Hensler 1989, p. 95-7.
Mullenix 1994, p. 586, waar ze de studies van Lind e.a. 1989 en Sarat & Felstiner 1989 bespreekt.
Hensler 1989, p. 92, waar ze onder andere het onderzoek van Rosenthal 1974, Lind e.a. 1989, Kritzer, Felstiner, Sarat & Trubek 1985, Schuck 1986 behandelt.
Ik heb reeds eerder en in een ander verband de waarde en de handicaps van buitenlands empirisch onderzoek besproken: Tzankova 2005, p. 53-5, 58-9, 97-9.
Shapiro 1998, p. 923, 934 rekent zichzelf in ieder geval tot deze groep. Zie voor zijn houding ten opzichte van de preventiedoelstelling p. 932.
Ik heb reeds eerder en in een ander verband aandacht besteed aan deze problematiek die vaak de empirische toetsing van rechtseconomische modellen betreft: Tzankova 2005, p. 53-58. Zie ook hiervoor 4.3.3 en 1.9.
Shapiro 1998, p. 931, noot 44.
David Rosenberg is een van de meest bekende en 'productieve' auteurs die de instrumentele visie op class actions heeft toegepast. Zie onder meer Rosenberg 2002a. De instrumentele visie wordt in verband gebracht met het werk van Calabresi en met welfare economics. Het gaat te ver om in het kader van dit onderzoek hier uitgebreid bij stil te staan. Gifford 2005, p. 11-7 geeft een heldere en beknopte uitleg daarover, met vele verdere verwijzingen. Zijn focus is echter gericht op een specifieke implicatie van deze visie, namelijk de benadering van de causaliteitsvraag bij sluipende massaschade. In de Nederlandse literatuur heeft Van Bijnen zijn onderzoek naar aanvullend contractenrecht volledig in het teken gesteld van welfare economics. Bij hem vindt men een uitgebreide Nederlandstalige verhandeling over de uitgangspunten van deze stroming: Van Bijnen 2005, p. 11-74.
Shapiro 1998, p. 329, Gifford 2005, p. 5-6.
Gifford 2005, p. 15-6.
Shapiro 1989, p. 930-1.
Gifford 2005, p. 81: `Scientific understanding in our time informs us that, in a probabilistic or actuarial sense, millions of people suffer from diseases resulting from exposure to mass products and other toxic substances. Yet nearly a full generation after courts first addressed the troubling causation problems inherent in cases involving latent diseases and other harms resulting from exposure (...) the individual causation requirement in tort (...) remains remarkably resilient, denying compensation to the victums of such harms'.
Issacharoff 1990-1991, p. 467 legt uit hoe dat kan gaan: `Once the total award package is determined, the second part of the proposal comes into play. It then becomes necessary to distribute this money among the members of the plaintiff class. No seventh amendments (...) question remains because the gross damage award extinguishes any adversarial issue regarding the transfer of funds from defendants to plaintiffs and ends the defendants' interest in further proceedings. The administrative distribution of damages permits a dramatic simplification of the final proceedings. This process would allow the court to determine a formula for pro rata share of damages among plaintiffs, relying on a damages matrix...'.
Shapiro 1989, p. 933-4.
Is in de rechtspraak wel verschillende keren toegepast: Cimino v Raymark Indus., 151 F.3d 297 (5th Cir. 1998), In re Fibreboard Corp., 893 F.2d 706 (5de Cir.1990), Hilao v. Estate of Marcos, 103 F.3d 767 (9 de Cir. 1996). Issacharoff 1990-1991, p. 471-2 noemt ook een aantal voorbeelden uit de rechtspraak, maar concentreert zich vervolgens op de zaak Cimino, waar hij ook bij betrokken is geweest als special master. Ook Bone 1993 besteedt veel aandacht aan deze opmerkelijke zaak. Newberg & Conte 2004, hfd. 10: p. 483-7 bespreken eveneens voorbeelden uit de rechtspraak.
Daarbij zijn verschillende methoden denkbaar. Abraham & Robinson 1992, Abraham & Robinson 1990 (hun voorstel houdt in dat de omvang van schadevergoedingsbedragen bepaald wordt op basis van een 'set of historical cases, those that have been resolved by settlement or fully litigated judgment in similar cases, with case similarity defined by statistically generated claim profiles' ; hun voorstel is echter niet beperkt tot de afwikkeling van substantiele massaschade; zij streven een meer fundamentele wijziging van het common law system, waarin sprake is van een `misplaced preoccupation with individualism', na: Bone 1993, p. 564 en noot 7). Rosenberg1987, breekt een lans voor toepassing van 'sampling' bij de afwikkeling van substantiële massaschade: Bone 1993, p. 566, noot 14, maar zie ook Klonoff & Bilich 2000, p. 370, 803 e.v. en Bone 1993, p. 561-664 die ook de schaduwzijde laten zien.
Aldus Saks & Blanck, 1992, Bone 1993, p. 566. Ten aanzien van de besparingen die sampling kan opleveren (van litigation en delay costs) is volgens Bone 1993, p. 598, noot 104 een nuancering op zijn plaats, vanwege een mogelijke aanzuigende werking.
Blumstein, Bovbjerg & Sloan 1991: Bone 1993, p. 566, noot 13.
Issacharoff 1990-1991, p. 470, Bone 1993, p. 576-94.
In de Amerikaanse literatuur en in de rechtspraak is vaak de vraag gesteld of en zo ja, in welke mate class action de inhoud heeft veranderd van de individuele materiële aanspraken die daaraan ten grondslag liggen: Klonoff & Bilich 2000, p. 7, onder 'the impact of procedure on substance': `Judges and scholars have often debated whether, and to what extent, aggregate litigation actually changes the substance of the claims being litigated.' Sampling heeft een dergelijke wijziging tot gevolg, omdat een inbreuk plaatsvindt op het recht op een volledige compensatie. Dat is problematisch ook met het oog op de Rules Enabling Act die bepaalt dat de federale processuele rechtsregels, waarvan Rule 23 deeluitmaakt, `shall not abridge, enlarge or modify any substantive right'. Het gaat hier om een constitutionele bescherming, omdat het een wijziging zou betreffen die niet door het congres is goedgekeurd: 28 U.S.C. § 2071 et seq.; Pub. L. No. 73-415; 48 Stat. 1064, in het bijzonder § 2072 onder b. De Act is te raadplegen via <http://www.uscourts.gov/rules/rulesenablingact.html#2072>. Zie voorts Newberg & Conte 2002, hfd 10: p. 483 noot 2.
Bone 1993 noemt onder meer 'sample averaging', `stratified sampling' en het `regression model'. Laatstgenoemde is het meest kostbaar en zou daarom eerder toegepast kunnen worden als de individuele belangen substantieel zijn. Het gaat te ver om hier alle ins en outs van sampling te behandelen. De studie van Bone 1993 is bijzonder lezenswaardig en instructief, omdat het uitgewerkte en onderbouwde conclusies en aanbevelingen bevat voor diegenen — rechters of wetgevers — die met het doordenken en de implementatie van sampling in het (massaschadeafwikkelings)proces te maken hebben.
Hensler 1989, p. 100. Op p. 100-3 onderbouwt ze deze bevindingen met verwijzing naar relevante empirische studies, maar zoals ze zelf ook aangeeft, is de empirische basis nogal mager, omdat er weinig studies over het onderwerp zijn. De studies die er zijn, bevatten echter die indicaties.
Saks & Blanck 1992: Bone 1993, p. 577: 'the results generated by individual trials (...) are merely approximations of actual damages for each case'. De vraag is echter, zoals ook Bone 1993 terecht stelt, welke schatting (van de collectieve of van de individuele berekening) de werkelijke situatie het meest benadert.
Bone 1993, p. 593-4.
Steun voor dit argument vind ik bij Hensler 1989, p. 104. Hoewel zij het over `informal and formal aggregation' heeft en niet over 'het consolidatie- en het entiteitsmodel', meen ik dat het door haar gehanteerde onderscheid vele overeenkomsten vertoont met de hier gehanteerde tweedeling.
Hensler e.a. 1985, p. xiii-xiv geeft aan welke voordelen hieraan voor de betrokkenen verbonden zijn.
In die zin Bone 2006, p. 76-7 en Erichson 2000 die tevens heeft geprobeerd om een aantal van die implicaties voor het US-regime in kaart te brengen. Hensler e.a. 1985, p. xiv wijzen ook op de gevaren daarvan: 'As the specific participants change, so may the informal understandings about the set of issues that are `settled'.'
Ik concentreer me nu op het entiteitmodel en in het bijzonder op de argumenten die in de literatuur te vinden zijn voor de behandeling van de class als een zelfstandige eenheid in plaats van als een verzameling van afzonderlijke individuen. De reden voor deze toespitsing, die overigens niet als een keuze voor dat model mag worden gezien, is eenvoudig. Het consolidatiemodel, inclusief de belangrijkste argumentatie daarvoor en bijhorende consequenties, is onder de noemer van 'day in court' reeds, zij het impliciet, in de vorige paragraaf aan bod gekomen. Ook het in het vorige hoofdstuk uitvoerig behandelde Engelse regime vertegenwoordigt het consolidatiemodel. Over het entiteitsmodel is tot nu toe echter betrekkelijk weinig gezegd. Bovendien is dat model niet alleen in het Amerikaanse regime het meest omstreden, maar dat zal het ook in andere Westerse rechtstelsels zijn, omdat in al die stelsels het individu en niet de groep centraal staat, vooral in relatie tot substantiële massaschade.1 Voordat in een later stadium een verantwoorde keuze voor het ene dan wel het andere model kan worden gemaakt, zal moeten blijken waarom een massaschadelijder, wiens claim omvangrijk genoeg is om een eigen day in court te hebben, wat de uitoefening van zijn processuele rechten en bevoegdheden betreft, 'slechter af' zou moeten zijn dan een slachtoffer van een één-op-één gepleegde onrechtmatige daad of contractbreuk. Met processuele rechten en bevoegdheden wordt onder meer bedoeld de keuze van een eigen advocaat en het bepalen van de te volgen processtrategie, inclusief het moment en de inhoud van een eventuele minnelijke regeling.2
Bij het zoeken naar en het selecteren van argumenten uit de Amerikaanse literatuur vóór het entiteitsmodel heb ik erop gelet dat deze zo veel mogelijk 'universeel' zijn. Zo heb ik bijvoorbeeld argumenten die verband houden met het instrument van punitive damages buiten beschouwing gelaten.3 Mijn selectie bevat argumenten van uiteenlopend karakter. Sommige relativeren de voordelen van het consolidatiemodel, terwijl andere juist de voordelen van het entiteitsmodel benadrukken.
Er zijn verschillende empirische studies die de waarden die traditioneel aan het beginsel van partijautonomie worden toegeschreven sterk relativeren.4 Hoewel de onderzoeken te beperkt van opzet zijn om de resultaten daarvan voor andere rechtsstelsels, materieelrechtelijke terreinen en soorten rechtzoekenden te generaliseren,5 zijn ze in enige mate indicatief. De conclusie die op basis van deze studies getrokken zou kunnen worden, is dat partij autonomie een mooie gedachte en voor velen een nastrevenswaardig ideaal is, maar dat in de praktijk daar weinig van terecht blijkt te komen. Volgens deze studies zou het juister zijn om in de individuele cliënt-advocaat verhouding, waarbij de cliënt zoals ook in veel gevallen van massaschade, een natuurlijke persoon is, niet van partijautonomie, maar van 'advocaatmonopolie' te spreken: in die verhouding is de interactie tussen beiden heel beperkt en de cliënt heeft uiteindelijk weinig zeggenschap over de manier waarop de processtrategie wordt uitgestippeld en uitgevoerd. Ten aanzien van de controle op het procesverloop en het processtrategie door de cliënten zien sommige auteurs dan ook weinig verschil tussen traditionele één-op-één processen en meerpartijenprocessen, zoals class action.6 Hooguit zou er gezegd kunnen worden dat de 'client control' in het tweede geval nog minder is:7
‘...even in simple, bipolar litigation, clients and their lawyers have very linie interaction and seem undisturbed by this state of affairs. Moreover Austin Serat and William Felstiner independently confirmed these findings and further discovered that in the limited interaction between a client and lawyer, these sessions typically are devoted to the lawyer's shaping the client' s view of the case to the lawyer's own legai theories and strategie viewpoint.8
En
`Systematic empirical research on litigation suggests that the tort process in practice diverges substantially from the picture painted above. Although most of the research concerns routine litigation, some involves mass torts. The version of legal reality drawn from this research posits a litigation process in which (1) lawyer-client relations are more often perfunctory and superficial than intimate; (2) the locus of control is shifted toward lawyers rather than clients; (3) lawyers educate their clients to a view of the legal process that serves the lawyer' s interests as much, if not more than clients' interests; (4) litigants are frequently only names to both lawyers and court personeel; and (5) trial is rarely desired, except perhaps by litigants, or delivered.'9
Empirie biedt dus enige basis voor het entiteitsmodel, maar die basis is vanwege de methodologische beperkingen verre van toereikend.10 Normatieve argumentatie blijft noodzakelijk.
Een belangrijk argument voor het entiteitsmodel, zowel volgens klassieke11 als rechtseconomisch georiënteerde auteurs, is preventie. Het is te verwachten dat een schadevergoeding die op groepsbasis wordt vastgesteld, waarbij nog steeds rekening kan worden gehouden met verschillen binnen de groep, veel eerder zal bijdragen aan `effective deterrence', dan vele afzonderlijk en soms enigszins 'willekeurig' vastgestelde schadevergoedingsbedragen. Welk gewicht men aan dit argument toekent, zal afhangen van iemands ideeën en opvattingen over de rol en invloed van financiële prikkels op het menselijk gedrag en de handelwijze van bedrijven.12 Klassieke auteurs zien preventie doorgaans als een belangrijke nevendoelstelling van compensatie.13
Rechtseconomen zijn vooral geïnteresseerd in de instrumentele functie van het aansprakelijkheidsrecht,14 waaraan het procesrecht en daarmee een mechanisme als class action dienstbaar is.15 Het aansprakelijkheidsrecht zien ze als een instrument om doelen die buiten het rechtssysteem zelf gelegen zijn te realiseren. Ze voegen aan de doelstelling preventie nog welzijnsmaximalisatie toe. In hun visie staan deze twee doelen centraal en is het niet noodzakelijk dat de financiële compensatie die van een schadeveroorzaker wordt verkregen, gekanaliseerd wordt in de richting van de desbetreffende specifieke schadelijder. Ook het omgekeerde is mogelijk: elke schadelij der zou gecompenseerd kunnen worden door elke partij `capable of distributing her accident losses as broadly as possible; loss distribution does not require that her losses be paid by the injuring party'.16 Eenvoudiger gesteld gaat het om twee zaken a) compensatie van de schadelijders en b) correctie van de schadeveroorzakers, maar deze twee hoeven niet aan elkaar gekoppeld te zijn om beide doelen te bereiken. Indien men de rechtseconomische instrumentele visie hanteert, rolt het entiteitsmodel, waarin niet de individuele omstandigheden van de groepsleden, maar de groepskenmerken van belang zijn, daar als het ware vanzelf uit.
Sommige, meer klassiek georiënteerde, auteurs zien de benadering van de class als entiteit in veel gevallen van massaschade als de enige manier om ook aan de compensatoire doelstelling van het aansprakelijkheidsrecht te voldoen. Dat achten ze vooral, maar niet uitsluitend, zichtbaar in de setting van sluipende massaschade. In die context is het verschil met de traditionele één-op-één procesverhouding het beste voelbaar. Individuele causaliteitsvragen zijn, onder meer door het grote tij dsverloop, bij sluipende massaschade in de regel lastig, zo niet nagenoeg onmogelijk te beantwoorden. Het is op basis van statistisch materiaal echter wel mogelijk om met redelijke mate van zekerheid vast te stellen, dat een bepaalde toename van het letsel binnen een groep als geheel wordt geconstateerd bij gebruik van of blootstelling aan een bepaald product en dat een X-aantal van de leden van de groep niet het letsel zou hebben opgelopen, waren ze niet blootgesteld geweest aan het desbetreffende product.17 De benadering van de class als entiteit zorgt ervoor dat compensatie van de groep in die gevallen adequater kan plaatsvinden, omdat het alternatief in de meeste, zo niet alle gevallen geen compensatie zou zijn.18 Men zou zich af kunnen vragen in hoeverre deze benadering het verdelingsvraagstuk oplost en niet slechts uitstelt. Toepassing van kwantitatieve schadeberekenings- en verdelingsmethoden zouden wel aan de oplossing van dat vraagstuk kunnen bijdragen.19 Deze komen hierna en kort in 4.8.3 aan bod.
Een ander argument is dat het entiteitsmodel, beter dan het consolidatiemodel, bijdraagt aan de doelstellingen van class action die in 4.3.2 aan bod kwamen: proceseconomie, rechtszekerheid en rechtseenheid.20 Dat is onder meer goed zichtbaar bij de 'collectieve' berekening van de omvang van de individuele schadevergoedingen, hetgeen past in het entiteitsmodel, maar binnen de consolidatiegedachte als problematisch wordt gezien.21 Deze berekening vindt plaats niet in afzonderlijke 'schadestaatprocedures', maar door middel van 'sampling' technieken, waarbij gebruik wordt gemaakt van statistische gegevens van de class en steekproeven.22 Sommige onderzoekers betogen dat deze aanpak niet alleen tot kostenbesparingen en preciezere uitkomsten leidt,23 maar ook tot grotere voorspelbaarheid van de uitkomsten en uniformiteit van de vergoedingen.24 Hiertegenover staat echter dat sampling en soortgelijke kwantitatieve technieken een levelling effect' hebben: zwakkere claims worden overgecompenseerd, ten koste van de sterkere.25 Vooral indien de sterkere claims ook nog 'substantiële' claims betreffen, wordt dit effect als bezwaarlijk ervaren,26 maar het lijkt niet onoverkomelijk. In de literatuur is bepleit dat de toepassing van de juiste kwantitatieve methode of sampling techniek, waarmee de representatieve gevallen per groep worden gekozen, het levelling effect' in aanzienlijke mate kan ondervangen.27 Daarnaast lijken er enige indicaties te zijn dat ook bij een traditionele individuele afwikkeling de eisers met kleine vorderingen over- en die met grote vorderingen ondergecompenseerd worden.28 Ook blijven sommige auteurs de stelling bestrijden dat bij een individuele behandeling de schadelijders een volledige schadevergoeding ontvangen. Het gaat steeds om benaderingen en schattingen van de omvang van de werkelijke schade.29 Dergelijke indicaties en argumenten relativeren de genoemde bezwaren tegen sampling enigszins. Een ander bezwaar dat tegen sampling wordt genoemd, betreft het gevaar van toename van zogenaamde `frivolous suits'.30 Dat zijn acties waaraan geen deugdelijke vordering ten grondslag ligt, maar die niettemin worden ingesteld in de hoop om toch enige vergoeding van de beweerde verweerders te verkrijgen, die op oneigenlijke gronden tot een schikking worden gedwongen. Dat gevaar dat meer in het algemeen bij class actions wordt gesignaleerd en dus door sampling 'slechts' versterkt wordt, komt aan bod in 4.7.
Implicaties van partijautonomie in de context van massaschade kunnen eveneens een pleidooi vóór het entiteitsmodel opleveren.31 Het ontbreken van formele consolidatiemechanismen waarin vrijblijvendheid en vrijwilligheid opgeofferd worden voor gecentraliseerde controle levert slechts schijnzekerheid op voor de uitoefening van partijautonomie in de setting van massaschade. Bij gebrek aan formele consolidatiemechanismen zullen veel en uiteenlopende vormen van informele consolidatie ontstaan, omdat belangenbehartigers en rechterlijke organisatie door de macht van de getallen tot enige 'clustering' gedwongen worden. Aan informele collectieve samenwerking-vormen zijn ook voordelen verbonden.32 Het nadeel hiervan is dat deze vormen van consolidatie aan het zicht zijn onttrokken en op ad hoc basis ontstaan. De gevolgen en de implicaties van de incidentele aanpak zijn daardoor lastiger te analyseren en te doordenken met alle ongewenste gevolgen voor de potentiële groepsleden, alsmede voor de overige bij de afwikkeling betrokkenen van dien.33