Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.1.0
Inleiding
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS610232:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In de notitie ‘Belastingplicht overheidsbedrijven’ van 25 september 2007, Kamerstukken II 2007/ 08, 31 213, nr. 1, heeft de Staatssecretaris van Financiën een aantal mogelijke varianten geschetst met betrekking tot de belastingplicht van overheidsbedrijven. Op basis van enkele van deze varianten zou de vrijstelling voor indirecte overheidsbedrijven van art. 2 lid 7 Wet VPB 1969 komen te vervallen. Deze varianten moeten nog nader worden uitgewerkt.
In art. 2 lid 7 Wet VPB 1969 is de belastingplicht van ‘indirecte’ overheidsbedrijven geregeld. De hierbij genoemde lichamen zijn slechts belastingplichtig voor zover zij een bedrijf uitoefenen als bedoeld in art. 2 lid 3 Wet VPB 1969.1 In dit verband bevat art. 2 lid 7 Wet VPB 1969 een verbondenheidsbegrip dat uitgaat van een volledig aandeelhouderschap, lidmaatschap of bestuurslidmaatschap van de overheid. Ik ken aan dit begrip een facilitaire functie toe.
Voorts zijn bepaalde overheidsbedrijven, ondanks het feit dat zij geen onderneming drijven als bedoeld in art. 2 lid 3 Wet VPB 1969, toch belastingplichtig. Dit geldt onder meer voor energiedistributiebedrijven als bedoeld in art. 2 lid 7 onderdeel e, Wet VPB 1969. In deze bepaling kunnen twee afzonderlijke verbondenheidsbegrippen worden onderscheiden. De belastingplicht geldt in de eerste plaats voor lichamen waarin het energiedistributiebedrijf een ‘belang’ houdt. Een ander verbondenheidsbegrip heeft betrekking op lichamen die met een energiedistributiebedrijf in een ‘groep’ zijn verbonden in de zin van art. 2:24b BW. Ik zou de functie van deze begrippen willen typeren als een vereenzelvigingsfunctie; de verbonden lichamen worden ten aanzien van de belastingplicht immers vereenzelvigd met het energiedistributiebedrijf. Tot op zekere hoogte vervullen beide begrippen ook een antiontgaansfunctie; zij voorkomen ook dat de belastingplicht kan worden ontgaan door onderdelen van het energiedistributiebedrijf onder te brengen in lichamen die met dat bedrijf verbonden zijn.