Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/10.2.2.2
10.2.2.2 Nationaalrechtelijke aanvaarding van vermoedens als bewijsmiddel voor de boete
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940764:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 17 januari 1990, BNB 1990/193, r.o. 4.2.
Feteris 2002, p. 378.
Zie de verwijzingen bij Feteris 2002, p. 378 (noot 107).
Zie over dit onderscheid nader paragraaf 13.3.5.2.
Zie daaromtrent paragraaf 13.3.5.3.1.
Vgl. de rol die het zwijgen van de verdachte – onder voorwaarden – mag spelen in de bewijsconstructie, hierna te behandelen in paragraaf 10.2.4.
HR 23 mei 1990, BNB 1990/240, r.o. 4.5. Zie ook onderdeel b van middel IV uit het cassatieberoepschrift.
Zie voorts HR 18 november 1992, BNB 1993/40, FED 1993/143, V-N 1992, p. 3722.
HR 11 oktober 1989, BNB 1990/88, FED 1990/421, r.o. 4.5. Zie ook paragraaf 9.3.2.2.2.
Zie over het wettelijk vermoeden dat besloten ligt in schuldneutrale delicten nader paragraaf 9.3.2.2.2.
HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.11.3.
Idem: HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207, r.o. 3.5.2 en r.o. 3.8.4. Zie voor een geval waarin de rechtbank de bewijslast de facto had omgekeerd Rb Den Haag 10 maart 2022, V-N 2022/29.2.1, r.o. 15 (overigens in de sleutel van de Murray-leer, waarover nader in paragraaf 10.2.4 hierna). In hoger beroep oordeelde het Hof dat er geen sprake was van een voldoende concreet, tot de boeteling zelf herleidbaar vermoeden. Het accepteren van een bewijsvermoeden zou onder deze omstandigheden betekenen dat de bewijslast op de boeteling komt te rusten, aldus Hof Den Haag 13 december 2022, V-N 2023/14.21, r.o. 5.5.
Dat betekent naar mijn mening niet dat vermoedens in de sfeer van de boete per definitie sterker zouden moeten zijn dan in de sfeer van de heffing. Dat is een kwestie van bewijswaardering.
HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207, r.o. 3.5.2-3.5.4.
HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207, r.o. 3.5.2. Vgl. voorts par. 25 lid 4 BBBB (tekst tot 1 januari 2016).
De Hoge Raad heeft begin 1990 in tamelijk algemene bewoordingen geoordeeld dat het gebruik van feitelijke vermoedens als bewijsmiddel voor de boete niet in strijd is met art. 6 lid 2 EVRM.1 Feteris heeft zich kritisch uitgelaten over dit algemeen geformuleerde oordeel van de Hoge Raad. Hij wijst erop, dat vermoedens in boetezaken niet te vaag, maar voldoende sterk, duidelijk en eenduidig moeten zijn.2 Ook elders in de literatuur is steun voor die opvatting te vinden.3 Dit lijkt in lijn met hetgeen ik in de vorige paragraaf opmerkte naar aanleiding van de aanvullende waarborgen die op grond van art. 6 EVRM in de boetesfeer voor vermoedens gelden. De voorvraag of een bepaald vermoeden toelaatbaar is als bewijsmiddel voor de boete moet naar mijn mening echter niet worden verward met de vraag of de aanwezige bewijsmiddelen gezamenlijk – waartoe dat vermoeden kan behoren – uiteindelijk voldoende overtuigend zijn om aan de vereiste gradatie te voldoen.4
Uit het betoog van Feteris blijkt dat hij bij de beantwoording van de vraag of een vermoeden als bewijsmiddel voor de boete kan dienen een koppeling maakt met de vereiste bewijsgradatie en dus in wezen de bewijskracht als criterium voor toelaatbaarheid hanteert. In mijn opvatting kan het vermoeden echter, als het eenmaal aan de door het EHRM geformuleerde criteria voldoet, op de gebruikelijke wijze als onderdeel van het totale aanwezige bewijsmateriaal bijdragen aan het bewijs. Wel is het halen van de bewijsgradatie ‘beyond reasonable doubt’ minder waarschijnlijk als de bewijsvoering als geheel louter of met name steunt op vermoedens.5
In een iets later gewezen arrest stelde de boeteling expliciet de vraag aan de orde of een bewezenverklaring in de boetesfeer louter gegrond mag zijn op vermoedens. Naar zijn oordeel bracht art. 6 lid 2 EVRM mee dat het doorslaggevende bewijs steeds rechtstreeks moest zijn terug te voeren op vaststaande feiten, zonder de tussenstap van een vermoeden te gebruiken. In deze visie zouden vermoedens dus slechts als steunbewijs kunnen dienen.6 De Hoge Raad oordeelde echter dat het de rechter vrijstaat om voor het bewijs van de centrale stellingen uit vermoedens te putten, en dat art. 6 lid 2 EVRM daaraan geen zwaardere eisen stelt.7 Daaruit volgt niet alleen dat het vermoeden in boetezaken als zodanig toelaatbaar is als bewijsmiddel, maar ook dat daaraan volgens de Hoge Raad geen bijzondere voorwaarden worden gesteld.8 Dat laatste komt naar mijn mening in strijd met de criteria die het EHRM heeft aangelegd in de arresten Salabiaku, Passet en Västberga Taxi, waarbij moet worden opgemerkt dat beide laatstgenoemde arresten pas jaren later zijn gewezen.
Nog vóór het wijzen van de beide hierboven aangehaalde arresten heeft de Hoge Raad de rechtsregels uit het arrest Salabiaku toegepast op het wettelijke vermoeden van schuld dat besloten ligt in verzuimboetes.9 Onder meer vanwege de omstandigheid dat de boete bij een geslaagd beroep op AVAS zou vervallen, achtte de Hoge Raad de verzuimboete10 als zodanig niet in strijd met art. 6 lid 2 EVRM.11
In 2011 heeft de Hoge Raad het arrest Salabiaku (in het kader van de KBLux-zaken) ook toegepast op het gebruik van feitelijke vermoedens als bewijsmiddel voor het bewijs van de fiscale bestuurlijke boete.12 De Hoge Raad stelde voorop dat de jurisprudentie van het EHRM toelaat dat gebruik wordt gemaakt van vermoedens, maar overwoog daarbij dat een dergelijk gebruik er niet toe mag leiden dat de bewijslast wordt verschoven van de inspecteur naar de boeteling. Het vermoeden moet redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen. De Hoge Raad let er dus vooral op dat het gebruik van vermoedens niet effectief neerkomt op een omkering van de bewijslast.13 In zoverre moeten vermoedens als bewijsmiddel voor de centrale stellingen dus met de nodige voorzichtigheid worden gehanteerd.14
Ook heeft de Hoge Raad later, in lijn met de jurisprudentie van het EHRM, overwogen dat de boeteling een redelijke verweermogelijkheid moet hebben. Bovendien heeft de Hoge Raad daarbij geoordeeld dat die verweermogelijkheid ook daadwerkelijk bestaat: de boeteling kan zich immers verweren, hetzij door de feiten en omstandigheden te betwisten die aan het vermoeden ten grondslag zijn gelegd, hetzij door tegenbewijs te leveren en andersluidende feiten tegenover het vermoeden te stellen.15 Naar mijn mening is dat juist. De rechter zal wel goed moeten bewaken dat de boeteling ook echt de gelegenheid krijgt om dat te doen. Uit de bewoordingen van de Hoge Raad zou ten slotte kunnen worden afgeleid, dat de feiten waarop het vermoeden wordt gebaseerd, steeds door de inspecteur moeten worden bewezen.16 Naar mijn mening is dat laatste echter niet noodzakelijk: waar het om gaat is dat het concrete, vaststaande feiten zijn. Dat betekent dat een vermoeden ook kan worden ontleend aan feiten die niet in geschil zijn. Dergelijke feiten kunnen ook door de boeteling zijn gesteld.