Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.2.3.2.0
4.2.3.2.0 Introductie
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291511:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. A.F. Mollema, ‘Drie stellingen over beperkte rechten’, WPNR 2013/7000, p. 1155 en S.E. Bartels, V. Sagaert, V. Tweehuysen en F.J. Vonck, If it ain't broke, don't fix it, in: L.C.A. Verstappen (red.), Boek 5 van de toekomst (KNB Preadvies), Den Haag: Sdu Uitgevers 2016, p. 313.
A.F. Mollema, Het beperkte recht: een analyse van zijn theoretische constructie, zijn plaats in het systeem van het vermogensrecht en zijn mogelijke inhoud (diss.), Utrecht: Uitgeverij BOXPress 2013, p. 142-143.
E. Bours, Rapport inzake de toepassing van de BTW op transacties in onroerende goederen binnen de Gemeenschap, Europese Commissie: Brussel 1971, p. 165.
In het ABC-rapport, p. 28 werd met betrekking tot het begrip ‘levering’ reeds opgemerkt: “Een levering kan voortvloeien uit verschillende rechtshandelingen: verkoop, verkoop onder opschortende of ontbindende voorwaarde, ruil, huurkoop, schenking, vordering door de overheid, enz. Er dient te worden uitgemaakt of uitsluitend rechtshandelingen waarbij de eigendomsoverdracht plaatsvindt belastbaar is, dan wel of elke afgifte van een voorwerp of goed een belastbaar feit vormt.”
E. Bours, Rapport inzake de toepassing van de BTW op transacties in onroerende goederen binnen de Gemeenschap, Europese Commissie: Brussel 1971, p. 66.
Het is zowel in het spraakgebruik als het Nederlandse civiele recht niet ongebruikelijk om de eigendom van een lichamelijke zaak te vereenzelvigen met de onderliggende lichamelijke zaak.1 Mollema wijst erop dat de eigendom van een zaak en de lichamelijke zaak zelf twee zijden zijn van dezelfde medaille. Deze medaille heeft een juridische zijde (de eigendom van de zaak) en een feitelijke zijde (de lichamelijke zaak).2 Bours heeft met iets andere woorden hetzelfde betoogd met betrekking tot het begrip ‘goed’ in de btw:
“In art. 5, lid 1 van de tweede richtlijn wordt “goed” gedefinieerd als een lichamelijk goed, dat wil zeggen, zoals van oudsher in het recht van de westelijke landen, het eigendomsrecht op een zaak.”3
Dat de overdracht van de eigendom van vastgoed op grond van art. 14 lid 1 Btw-richtlijn kwalificeert als een levering lijkt evident.4 Eigendom is immers het meest omvattende recht dat een persoon op vastgoed kan hebben.5 Ook de definitie van het begrip ‘levering’ in art. 14 lid 1 Btw-richtlijn wijst hierop. Op grond van deze bepaling wordt immers de overdracht van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken aangemerkt als een levering.6 Daarnaast wijst ook de structuur van art. 14 en 15 Btw-richtlijn hierop. De leveringsgelijkstellingen in art. 14 leden 2 en 3 Btw-richtlijn hebben als gemene deler dat geen sprake is van een eigendomsoverdracht (paragrafen 4.2.4 en 4.2.5), terwijl de gelijkstellingen met een lichamelijke zaak in art. 15 lid 2 Btw-richtlijn zien op de situatie waarin geen sprake is van de eigendom van vastgoed (zie paragraaf 4.2.6). Toch is in art. 14 lid 1 Btw-richtlijn (en haar voorgangers) niet gekozen om de overdracht van de eigendom van een lichamelijke zaak als levering te beschouwen. Dit roept de vraag op waarom gekozen is voor de ‘overdracht van de macht om als een eigenaar over het goed te beschikken’ als leveringsdefinitie. In de richtlijnhistorie zijn hiervoor twee verklaringen te vinden: de eigendomsoverdracht tot zekerheid en de vereenzelviging van de in art. 15 lid 2 Btw-richtlijn bedoelde rechten, deelbewijzen en aandelen met het vastgoed waarop zij betrekking hebben. Deze verklaringen komen hierna achtereenvolgens aan bod.