Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/0.4.1
4.1 Algemeen
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Bijvoorbeeld: de beslissendheid van de getuigenverklaring.
De belangrijkste beoordelingsfactoren die het EHRM bij de inhoudelijke beoordeling van klachten over het ondervragingsrecht hanteert, zijn: (1) Heeft de verdediging een behoorlijke en effectieve gelegenheid gekregen om de getuige te ondervragen? (2) Bestaat een goede reden voor het ontbreken van zo’n gelegenheid? (3) Is de veroordeling uitsluitend of in beslissende mate gebaseerd op de verklaring van de niet behoorlijk en effectief door de verdediging ondervraagde getuige? (4) Is voldoende compensatie geboden? De Hoge Raad past in grote lijnen dezelfde factoren toe, al zijn deze soms anders geformuleerd. Zie uitvoerig § 8.4.2 van hoofdstuk 1 en 7.4.1 van hoofdstuk 2.
Bijvoorbeeld: wordt bij bepaalde feiten en omstandigheden wel of niet aangenomen dat de getuigenverklaring van beslissende betekenis is? Concreter: een verklaring van getuige 2 zou steunbewijs kunnen bieden voor de verklaring van de niet door de verdediging ondervraagde getuige 1, maar wanneer getuige 2 slechts verklaart over aspecten die door de verdediging niet zijn betwist, zal de verklaring van getuige 2 de beslissendheid van de verklaring van getuige 1 niet wegnemen.
Bijvoorbeeld: bij een beslissende getuigenverklaring wordt een schending van het ondervragingsrecht aangenomen wanneer de verdediging een getuige niet heeft kunnen ondervragen, tenzij voldoende compensatie is geboden. Bij een niet-beslissende getuigenverklaring wordt in beginsel geen schending aangenomen.
Om de onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden, heb ik de volgende aspecten onderzocht:
Welke beoordelingsfactoren zijn volgens het EVRM-recht en volgens het nationale recht van belang bij het beoordelen van de klacht dat het ondervragingsrecht niet is gerespecteerd?1
Deze vraag zal voor het ehrm in hoofdstuk 1 en voor het nationale recht in hoofdstuk 2 worden beantwoord.2
Welke feiten en omstandigheden leiden volgens het EVRM-recht en volgens het nationale recht tot een positieve of negatieve beoordeling ten aanzien van een beoordelingsfactor?3
In de hoofdstukken 3 tot en met 7 zal ik de relevante beoordelingsfactoren uitdiepen. Ik zal proberen om uit de motiveringen van uitspraken algemene uitgangspunten te destilleren die van belang zijn voor de beoordeling van de desbetreffende beoordelingsfactor.
Welke invloed hebben positieve of negatieve beoordelingen van beoordelingsfactoren, al dan niet in samenhang met elkaar, op de uiteindelijke beslissingen van het EHRM en de Hoge Raad over de vraag of het ondervragingsrecht is gerespecteerd?4
In de hoofdstukken 1 en 2 zal in het algemeen uiteengezet worden dat het ehrm en de Hoge Raad de beoordeling of het ondervragingsrecht is gerespecteerd, uitvoeren op basis van een beslismodel. Daarin spelen verschillende beoordelingsfactoren een rol. In de hoofdstukken 3 tot en met 7 zal soms meer gedetailleerd aandacht worden besteed aan de plaats van de desbetreffende beoordelingsfactor in het beslismodel.
Welke verschillen kunnen worden vastgesteld bij de beantwoording van de vragen 1 tot en met 3 tussen het EVRM-recht en het nationale recht?
Het evrm-recht dient als toetsingskader voor de beoordeling van het nationale recht. In hoofdstuk 2, dat alleen betrekking heeft op het nationale recht, zal worden onderzocht of de algemene wijze van beslissen door de Hoge Raad in overeenstemming is met de regels en uitgangspunten van het ehrm, die in hoofdstuk 1 uiteengezet worden. In de hoofdstukken 3 tot en met 7 zal steeds eerst het evrm-recht in kaart worden gebracht en daarna het nationale recht. Bij de bespreking van specifieke aspecten van het nationale recht zal – voor zover daarvoor aanleiding bestaat – steeds worden aangegeven of de nationale invulling van dat aspect in overeenstemming is met het Straatsburgse recht. Aan het einde van ieder van de hoofdstukken 3 tot en met 7 zal voor de desbetreffende beoordelingsfactor worden geconcludeerd of het Nederlandse recht in overeenstemming is met het Straatsburgse recht. In hoofdstuk 8 zal ik de onderzoeksvraag beantwoorden met een overall conclusie.