Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/9.5.7.2
9.5.7.2 Doorwerking van een besluit van de Commissie
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS578683:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Deze bepaling verschilt met de uitspraak van het HvJ EG in Delimitis, waaruit kon worden afgeleid dat de nationale rechter een procedure zou dienen te schorsen in geval twijfel zou kunnen bestaan over de uitleg door de Commissie. Zie HvJ EG 28 februari 1991, zaak C234/89 (Delimitis), Jur. 1991, p. 1-935. De rol van de rechter is onder Verordening 1/2003 groter geworden dan het HvJ EG in Delimitis voor ogen had.
[2006] UKHL 38.
Vgl. Slot, Swaak & Mulder 2007, p. 87.
Zie HvJ EG 9 maart 1994, zaak C-188/92 (Textilwerke Deggendorj9, Jur. 1994, p. 1-833.
Van Lierop & Pijnacker Hordijk 2007, p. 26.
Vgl. Van Lierop & Pijnacker Hordijk 2007, p. 26. Zie ook Haak & VerLoren van Themaat 2005, p. 43, die de bestuursrechtelijke bewijsdrempel vergelijken met de strafrechtelijke bewijsdrempel.
Van Lierop & Pijnacker Hordijk 2007, p. 26.
Van Lierop & Pijnacker Hordijk 2007, p. 26.
Van Lierop & Pijnacker Hordijk 2007, p. 26. Zie voor een voorbeeld Rb. Haarlem, vonnissen van 7 november 1989 en 4 mei 1993, rolnr. H 879/87 (BurnsNan Driel & SNH), waarin de rechter op grond van het ontbreken van causaal verband tussen de schade en de door de Commissie in een beschikking vaststelde mededingingsinbreuk een vordering van de eiser tot verkrijging van schadevergoeding heeft afgewezen. Zie voor een beschijving van deze niet gepubliceerde zaak Pijnacker Hordijk & Noë 2001, p. 89-90.
Vgl. § 61 van de condusie van A-G Van Gerven in de zaak Banks, HvJ EG 13 april 1994, zaak C-128/92 (Banks), Jur. 1994, p. 1-1209.
Zie § 61 van de conclusie van A-G Van Gerven in de zaak Banks, HvJ EG 13 april 1994, zaak C-128/92 (Banks), Jur. 1994, p. 1-1209.
a. Bindende rechtskracht van een beschikking van de Commissie
Voor wat betreft de Commissie kan de vraag of de civiele rechter gebonden is aan het besluit van de mededingingsautoriteit in dezelfde zaak snel worden beantwoord. De Commissie neemt bij de beantwoording van deze vraag een bijzondere positie in. Zie mijn bespreking van de Masterfoods-jurisprudentie in § 5.4.8. In het eerste lid van artikel 16 Verordening 1/2003 is neergelegd dat de nationale rechter geen beslissing kan nemen die in strijd is met de door de Commissie gegeven beschikking. De nationale rechter moet ook vermijden beslissingen te nemen die in strijd zouden zijn met een beschikking die de Commissie overweegt te geven in een door haar reeds aangevangen procedure. Eventueel kan de procedure worden opgeschort.1 De Commissie zal volgens haar samenwerkingsmededeling (overweging 12) een opgeschorte zaak met voorrang behandelen. Artikel 16 van Verordening 1 /2003 luidt als volgt:
'Wanneer nationale rechterlijke instanties artikel 81 of artikel 82 van het Verdrag toepassen op overeenkomsten,besluiten of gedragingen die reeds het voorwerp uitmaken van een beschikking van de Commissie, kunnen zij geen beslissingen nemen die in strijd zijn met de door de Commissie gegeven beschikking. Ook moeten zij vermijden beslissingen te nemen die in strijd zouden zijn met een beschikking die de Commissie overweegt te geven in een door haar gestarte procedure. Te dien einde kan de nationale rechterlijke instantie de afweging maken of het nodig is haar procedure op te schorten. Deze verplichting laat de rechten en verplichtingen op grond van artikel 234 van het Verdrag onverlet.'
De civiele rechter is dus op grond van artikel 16 Verordening 1/2003 en artikel 10 EG (de gemeenschapstrouw) 'gebonden' aan de beschikking van de Commissie. Het moet daarbij wel om dezelfde zaak gaan. In een iets andere zaak kan dat anders liggen. Beschikkingen van de Europese Commissie zijn volgens het House of Lords in de zaak Inntrepreneur Pub Company and others v. Crehan alleen bindend indien het zowel dezelfde partijen betreft als dezelfde overeenkomsten, besluiten of gedragingen die in strijd zijn met het mededingingsrecht.2 In een civielrechtelijke procedure zal de bewijsrechtelijke waarde van een eventuele informele zienswijze afhangen van de formulering en motivering.3
De rechtsgeldigheid van een Commissiebeschikking kan, op de mogelijkheid van het stellen van een prejudiciële vraag na, niet voor de nationale rechter ter discussie worden gesteld. Dit zou naar Nederlands recht de 'formele rechtskracht' van een beschikking van de Commissie kunnen worden genoemd. Nu de Commissie hiërarchisch hoger staat dan de Nederlandse rechter kan beter over de 'bindende rechtskracht' worden gesproken in plaats van de 'formele rechtskracht'. Eventuele prejudiciële vragen betreffende de rechtsgeldigheid van de Commissiebeschikking zijn overigens niet mogelijk indien voor de partij die de rechtsgeldigheid ter discussie stelt rechtstreeks beroep tegen de beschikking bij het GvEA EG openstond.4 Dit heeft tot gevolg dat de laedens jegens wie een boetebeschikking van de Commissie is gericht, voor de nationale rechter geen prejudiciële verwijzing over de rechtsgeldigheid van die beschikking kan uitlokken in een civiele procedure die voortbouwt op de beschikking van de Commissie.
b. Bindende rechtskracht alleen op het dictum of ook op de feitenvaststelling
Rust de bindende rechtskracht in beginsel alleen op het dictum van de beschikking of ook op de vaststelling van de feiten? Dient artikel16 lid 1 Verordening 1/2003 zo te worden uitgelegd dat aan de feitenvaststelling door de Commissie dwingende bewijskracht toekomt? Met andere woorden: brengt het feit dat de burgerlijke rechter gebonden is aan de beschikking van de Commissie nu tevens mee dat de feitenvaststelling van de Commissie bindend is voor de burgerlijke rechter? Deze vraag kan nog niet eenduidig beantwoord worden. In de literatuur wordt wel verdedigd dat het HvJ EG zal oordelen dat feitenvaststellingen in overwegingen die in beroep voor het GvEA EG aanvechtbaar zijn geweest niet alsnog voor de nationale rechter ter discussie kunnen worden gesteld.5 Dit zou anders kunnen zijn indien het GvEA EG een vaststelling van de Commissie met betrekking tot de feiten in stand laat en daar slechts de lagere bestuursrechtelijke bewijsdrempel op toepast.6 De bewijsstandaard die het GvEA EG hanteert is nu eenmaal lager dan de bewijsstandaard die de burgerlijke rechter hanteert. Ingeval de laedens vervolgens voor de burgerlijke rechter alsnog overtuigend bewijs aandraagt om tot het oordeel te komen dat de bevindingen van de Commissie onjuist zijn, ontstaat een dilemma.
Van Lierop & Pijnacker Hordijk verwachten — met een beroep op het feit dat de communautaire rechtsorde in gedrang zal komen indien voor de nationale rechter de feitenvaststelling in Commissiebeschikkingen opnieuw ter discussie zou kunnen worden gesteld — dat het HvJ EG zal oordelen dat de nationale rechter ook in dat geval geen ruimte heeft om het bewijs opnieuw te wegen.7 Dit leidt tot de situatie dat tegen een vaststelling van de feiten door de Commissie geen tegenbewijs mogelijk is, terwijl dat tegen een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de strafrechter wel mogelijk is. Artikel 161 Rv kent dwingende bewijskracht toe aan een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de strafrechter, maar sluit de mogelijkheid van tegenbewijs niet uit op grond van artikel151 lid 2 Rv. Deze conclusie wekt vanuit het nationaal recht bezien bevreemding op, nu niet goed te verdedigen valt dat de bewijsstandaard die de Commissie hanteert hoger is dan de bewijsstandaard van de strafrechter. Van Lierop & Pijnacker Hordijk zien dit als de prijs die voor de Europese integratie moet worden betaald.8 Zij wijzen daarbij op het feit dat de burgerlijke rechter desondanks niet belet wordt in zijn mogelijkheden om de bewijsvoering op het punt van de schade en het causaal verband tussen de in de Commissiebeschikking gestelde feiten en de geleden schade te toetsen.9
Het antwoord op de vraag of de bindende rechtskracht in beginsel alleen op het dictum van de beschikking rust of ook op de vaststelling van de feiten, is mijns inziens genuanceerder. Indien het om vaststellingen gaat die niet meegewogen hebben in het eindbesluit en dus niet ten grondslag liggen aan de beargumentering van de Commissie, is de nationale rechter vrij om af te wijken van de vaststelling van de feiten van de Commissie.10 Indien het gaat om vaststellingen die wel hebben meegewogen in het eindbesluit en dus ten grondslag liggen aan de beargumentering van de Commissie, is de nationale rechter gebonden aan de vaststelling van de feiten door de Commissie. A-G Van Gerven heeft er in zijn conclusie bij de zaak Banks reeds op gewezen dat de kans op tegenstrijdige uitspraken en een aantasting van het rechtszekerheidsbeginsel in de eerste situatie beduidend kleiner is dan in de tweede situatie.11