Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/4.3.1.1.1
4.3.1.1.1 Beheren in het nieuw Burgerlijk Wetboek
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS958047:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II 1952/53, 2846, nr. 2, p. 2-4.
Kamerstukken II 1952/53, 2846, nr. 3, p. 8. (Het betrof vraag 8 van de eerste reeks van vragen.)
Zie hiervoor in paragraaf 4.2.2.
Zie over depotfractiebewijzen Houben 1942, p. 107.
Zie ook zijn opmerking in de Tweede Kamer naar aanleiding van opmerkingen rondom het antwoord op de vraag of bewind wenselijk is. Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 466. Van der Ploeg ging er naar aanleiding van de vraag naar de wenselijkheid van een bewindregeling vanuit dat ook certificering onder de bewindsfiguur zou kunnen vallen. Van der Ploeg 1953, p. 125-126.
Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 463 en 467. In een voorlopig antwoord van de minister van justitie leek een verwijzing te zijn gemaakt naar de Engelse trustee (Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 461). Zowel de vaste commissie voor Privaat- en Strafrecht als de minister van justitie zelf geven in hun reactie op het voorlopige antwoord aan dat zij de mogelijke invoering van een trustachtige figuur zoals in het Engelse recht niet adviseren dan wel niet wenselijk vinden (Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 462.) De verwijzing wordt uiteindelijk uit het antwoord gehaald. (Zie ook Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 466 over de reden van het verwijzen naar de Engelse trust in het eerste voorlopige antwoord.)
Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 538.
Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 563. Zie omtrent de ontwikkelingsgeschiedenis van deze rechtsverhouding: Rongen 1999, p. 316-319.
Het toekennen van een pandrecht aan certificaathouders was eerder onder andere al bepleit door De Leeuw voor certificaathouders van ‘Grootboek-certificaten’. Zie: De Leeuw B.J. 1914, p. 183-184. Dit waren certificaten die door een Administratiekantoor werden uitgegeven. Het Administratiekantoor was schuldeiser van de Staat ten aanzien van een schuld van de Staat die was ingeschreven in de Grootboeken der Nationale Schuld. Zie voor een verdere toelichting op het ontstaan van het Grootboek: De Leeuw B.J. 1914, p. 1-30.
Dit artikel is in aangepaste vorm terechtgekomen in het huidige art. 3:259 BW.
Meijers concludeert daarmee voor de certificering van aandelen en schuldvorderingen in de lijn van de auteurs die van mening waren dat bij certificering het administratiekantoor juridisch rechthebbende van de aandelen dan wel schuldvorderingen was. Zie hierna in voetnoot 95. Overigens merkt Meijers later nog op dat certificering wel in een bewind-vorm zou kunnen worden gegoten op het moment dat het administratiekantoor bij het verkrijgen van een aandeel zou aangegeven dat zij dit aandeel nam in kwaliteit ten behoeve van de certificaathouders. Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 568.
Zie bijvoorbeeld Houben 1942, p. 114-115. Houben verwijst in zijn dissertatie naar meerdere auteurs die dezelfde mening waren toegedaan, bijvoorbeeld: Van der Heijden 1930, p. 2-3 en Land 1908-3, p. 391. Volgens deze auteurs is de certificaathouder de materieel eigenaar en de stichting administratiekantoor de formeel eigenaar (ook wel trustee genoemd). Zie ook Van Hall 1952, p. 162-164. Anderen waren, net als Meijers, van mening dat de certificaathouder een vorderingsrecht op de stak had en de stak juridisch rechthebbende van de certificaten was. Zie bijvoorbeeld Van der Grinten 1938, p 295-297. Zie ook Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 569 en 570. Hierbij dient wel te worden opgemerkt dat het onderscheid genuanceerd is, aangezien niet alle auteurs hetzelfde lijken te verstaan onder de term trustee en er ook onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende soorten certificaten. Zie voor een overzicht van de verschillende meningen Van der Velden 2008, p. 55-56.
In het overzicht wordt begonnen met de stand van zaken halverwege de 20e eeuw. Meijers had de opdracht gekregen tot de samenstelling van een nieuw Burgerlijk Wetboek. Om tot een voorstel voor een nieuw Burgerlijk Wetboek te komen, werden er eerst vragen geformuleerd door Meijers in overleg met de minister van justitie.1 Naar aanleiding van die vragen en antwoorden werden de lijnen uitgezet waar Meijers bij de inrichting van het Burgerlijk Wetboek rekening mee moest houden. Eén van de vragen was:
“Moet de mogelijkheid bestaan, dat men bij handeling onder de levenden het bewind over zijn eigen goederen geheel aan een ander overdraagt?”2
In de toelichting bij deze vraag wordt beschreven dat zich in de praktijk andere vormen van bewind hebben ontwikkeld naast de wettelijk bestaande vormen van bewind. Het gaat dan om bijzondere vormen van vertegenwoordiging en om fiduciaire overdracht van een recht aan de bewindvoerder. Dit waren allerlei vormen waarin beheer aan de orde was, zoals de beheerovereenkomst die B.U.M.A. sloot met componisten ten aanzien van auteursrechten,3 certificering van aandelen en het beheer van depotfractiebewijzen.4 Vervolgens wordt in de toelichting opgemerkt dat het maar de vraag is of deze in de praktijk ontwikkelde vormen rechtsgeldig zijn. Vandaar dat de vraag moet worden beantwoord of het ontwerp een mogelijkheid voor het zelfstandig aangaan van bewind als rechtshandeling zou moeten bieden, zodat er een rechtsgeldige figuur voor de in de praktijk ontwikkelde vormen ontstaat.5
Meijers schaart met deze vraag veel varianten van beheer onder de noemer bewind.6 Na de beraadslaging in de Tweede Kamer luidt het uiteindelijke antwoord op de vraag dat de regeling van opdracht van bewind over eigen goederen aan een ander aanbeveling verdient.7
In zijn ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek introduceert Meijers een aparte titel voor bewind, te weten Titel 3.6 BW. In deze titel is de mogelijkheid opgenomen om bij rechtshandeling een bewind in te stellen (afdeling 3.6.2). In het door Meijers voorgestelde art. 3.6.2.1 staat:
“Behalve in de elders in de wet genoemde gevallen, kan een bewind bij rechtshandeling worden ingesteld:
door de rechthebbende over goederen, die hem blijven toebehoren;
bij de uitgifte van een obligatielening.”8
De uitgifte van een obligatielening wordt in dit artikel al als aparte mogelijkheid benoemd waarvoor een bewind kan worden ingesteld. Verderop wordt nogmaals aandacht besteed aan het bewind bij de uitgifte van een obligatielening, te weten in het door Meijers voorgestelde art. 3.6.2.6. Meijers geeft als toelichting bij dat artikel dat het artikel betrekking heeft op een in de praktijk ontwikkelde rechtsverhouding die veelal in de praktijk wordt aangeduid als een obligatielening met trustees.9
Afdeling 3.6.2 wordt door Meijers afgesloten met nog een andere specifieke beheerverhouding, namelijk de rechtsverhouding tussen administratiekantoren en certificaathouders. Het voorgestelde art. 3.6.2.7 bepaalt dat houders van certificaten van aandelen of van schuldvorderingen een pandrecht op de aandelen of schuldvorderingen kunnen verkrijgen.10 Ook staat in het artikel uitdrukkelijk opgenomen dat deze rechtsverhouding niet als een vorm van bewind kan worden gezien.11 In de toelichting schrijft Meijers dat ook hier sprake is van een rechtsverhouding die in de praktijk is ontstaan. Vervolgens omschrijft hij kort de rechtsverhouding. Uit de omschrijving blijkt waarom hij de beheervorm van certificering niet onder bewind kan scharen. Bij de certificering is het administratiekantoor rechthebbende van de aandelen of schuldvorderingen en niet de certificaathouder (de economisch belanghebbende).12 In een rechtsverhouding waar bewind speelt, is het juist de economisch belanghebbende die juridisch rechthebbende is. Meijers geeft aan dat de certificaathouder slechts in een persoonlijke rechtsbetrekking tot het administratiekantoor staat. Daarbij geeft Meijers aan:
“Het is ongetwijfeld redelijk, dat de certificaathouders ook een recht op de vorderingen of de aandelen hebben, die aan hun schuldenaar toekomen.”13
Tot slot merkt Meijers nog op dat de certificaathouders in beginsel geen volledig recht hebben op de door het administratiekantoor gehouden aandelen of schuldvorderingen. Dit stemt volgens hem ook niet overeen met wat in de regel de bedoeling van partijen is bij het uitgeven van certificaten. Het volledige recht op de onderliggende aandelen of schuldvorderingen kan volgens hem wel bedongen worden.14
Wat hier van belang is om nogmaals op te merken is dat in het voorstel van Meijers het fiduciaverbod nog een vrij ruim bereik leek te hebben. Dit is hierboven omschreven in paragraaf 4.2.2. Daaruit kan de conclusie worden getrokken dat er volgens Meijers geen sprake was van een fiducia cum amico verhouding in het geval van certificering. Er zijn meerdere auteurs te vinden in de eerste helft van de 20e eeuw die wel uitgingen van een verhouding met gesplitste eigenaarsbevoegdheden in het geval van certificering.15
Het doel van Meijers was om met de Bewindtitel in Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek zoveel mogelijk wensen inzake beheerverhoudingen te vervullen voor zover daar geen bijzondere wetgeving voor voorhanden was. En door middel van het fiduciaverbod sloot hij de weg af om de beheerstructuur van de fiducia cum amico te gebruiken.