Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VI.4.3.3
VI.4.3.3 Zaak-taakbesluiten
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242763:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2:129a/239a lid 3 BW biedt de mogelijkheid bij of krachtens de statuten te bepalen dat een of meer bestuurders rechtsgeldig kunnen besluiten omtrent zaken die tot zijn respectievelijk hun taak behoren. Zie hierover § V.7.2.
Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht, Advies Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht d.d. 5 juni 2008, p. 3.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 13 en 25 (NV).
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 17 (MvT); en Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 13 (NV).
Onder anderen Dumoulin, Ondernemingsrecht 2012/90; Schwarz 2017b, p. 134; en Strik, Ondernemingsrecht 2012/91.
Idem onder anderen Bosse & Raat, TOP 2015/375; Dumoulin, Ondernemingsrecht 2012/90; Schwarz 2017b, p. 134; Strik, Ondernemingsrecht 2012/91; en Verdam, Ondernemingsrecht 2013/102.
Blijkt echter uit een tussentijdse rapportage dat de zaken niet op orde zijn, dan volstaat het eens per kwartaal inwinnen van inlichtingen niet. Zoals ik in § VI.3.4 al schreef, behoort de niet-uitvoerende bestuurder zijn toezicht in dat geval te intensiveren.
Schwarz 2017b, p. 135. Zie in deze zin eerder al de Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht, Advies Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht d.d. 5 juni 2008, p. 3.
Zoals ik in § VI.3.2 aangaf, verschilt de wijze waarop besluitvormingsbevoegde bestuurders terug rapporteren aan het volledige bestuur niet van de wijze waarop een bestuur terug rapporteert aan de raad van commissarissen.
Zie § VI.4.3.2.
Evenzo onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/446; Borrius 2012, p. 114; Bosse & Raat, TOP 2015/375; Dumoulin, Ondernemingsrecht 2012/90; Lennarts & Roest 2016, p. 129; Olaerts, TvOB 2012, afl. 6, p. 177; Van Olffen, Ondernemingsrecht 2012/89; en Strik, Ondernemingsrecht 2012/91.
Idem Lennarts & Roest 2016, p. 129.
In het voorgaande ging ik er steeds van uit dat collectieve besluitvorming plaatsvindt. Maar wat is nu rechtens als de uitvoerende bestuurders zelfstandig bevoegd zijn bestuursbesluiten te nemen?1 Hoe verhoudt de ‘brengplicht’ van de bestuurder met besluitvormingsbevoegdheid zich in dat geval tot de ‘haalplicht’ van de niet-uitvoerende bestuurders?
Deze vraag hield ook de Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht bezig. Omdat de uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders collectief verantwoordelijk zijn voor zaak-taakbesluiten, stelde zij voor in het derde lid van art. 2:129a/239a BW de volgende zin op te nemen: “Elke bestuurder verschaft de overige bestuurders tijdig de voor de uitoefening van ieders taak noodzakelijke informatie.”2 De Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht kreeg geen gehoor.
Volgens de minister volgt reeds uit art. 2:8 BW dat de bestuurder die zelfstandig bevoegd is bestuursbesluiten te nemen, zijn medebestuurders binnen een redelijke termijn behoort in te lichten over besluiten die hij heeft genomen. De bestuurder met besluitvormingsbevoegdheid van het bestuur zit volgens de minister goed wanneer hij tijdens de eerstvolgende bestuursvergadering verantwoording aflegt over door hem genomen bestuursbesluiten.3 Verder ligt het volgens de minister op de weg van de niet-taakbelaste bestuurder om periodiek te informeren of bestuursbesluiten op grond van art. 2:129a/239a lid 3 BW zijn genomen.4
Individuele niet-uitvoerende bestuurders hebben dus ook in dit geval een informatierecht. De taakbelaste bestuurder met besluitvormingsbevoegdheid behoort hen alle voor de uitoefening van hun taak benodigde informatie te verschaffen. Volgens de heersende leer weegt de brengplicht van de besluitvormingsbevoegde bestuurder het zwaarst.5 Gelet op de collegiale verantwoordelijkheid van het bestuur, kan de niet-uitvoerende bestuurder niet volledig achteroverleunen. Hij doet er verstandig aan zich er regelmatig van te vergewissen of bestuursbesluiten op grond van art. 2:129a/239a lid 3 BW zijn genomen.6 De niet-uitvoerende bestuurder behoeft mijns inziens niet wekelijks navraag te doen, maar ik raad hem wel aan eens per kwartaal te informeren naar de taakuitoefening door zijn medebestuurders.7
Volgens Schwarz zou een wettelijke regeling omtrent informatieverschaffing in het kader van art. 2:129a/239a lid 3 BW niet misstaan. Hij wijst erop dat de niet-uitvoerende bestuurders in dit geval in een positie verkeren die vergelijkbaar is met de positie van de raad van commissarissen.8 Ik kan mij deels in de opvatting van Schwarz vinden. De positie van de niet-uitvoerende bestuurders is inderdaad vergelijkbaar met de positie van de raad van commissarissen.9 Toch zie ik niet de meerwaarde in van een wettelijke regeling omtrent informatieverschaffing. Zoals ik al schreef, ligt het voor de hand dat elke bestuurder de overige bestuurders tijdig de voor de uitoefening van ieders taak noodzakelijke informatie verschaft.10 Zo’n wettelijke regeling is derhalve niets meer en niets minder dan een codificatie van hoe de gang van zaken in de praktijk zou moeten zijn. Bovendien is het ook zonder wettelijke regeling mogelijk vast te leggen op welke wijze in de informatiebehoefte van de bestuurders die niet hebben deelgenomen aan de besluitvorming wordt voorzien.11 De statuten en het bestuursreglement zijn daar volgens mij de geëigende plekken voor.12