Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VI.4.3.4
VI.4.3.4 Vertrouwen op informatie
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242931:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Stolp, WPNR 2015/7045, p. 43.
Ook commissarissen worstelen met dit dilemma, zie hierover Vletter-van Dort, Ondernemingsrecht 2019/37.
Dumoulin, Ondernemingsrecht 2012/90.
Aldus ook Borrius 2012, p. 108; Dumoulin, Ondernemingsrecht 2012/90; Olaerts, TvOB 2012, afl. 6, p. 175-176; en Strik 2010, p. 126.
Aldus ook Borrius 2012, p. 114.
Idem onder anderen Bulten 2012, p. 19; Dumoulin, Ondernemingsrecht 2012/90; Olaerts, TvOB 2012, afl. 6, p. 175-176; en Verdam, Ondernemingsrecht 2013/102. De vraag in hoeverre de niet-uitvoerende bestuurder in zijn algemeenheid mag vertrouwen op informatie van derden, laat ik rusten. Zie over deze materie met betrekking tot de ‘gewone’ bestuurder Mussche 2011, p. 35-41; en Timmerman, Ondernemingsrecht 2011/52.
Evenzo Bulten 2012, p. 19; Olaerts, TvOB 2012, afl. 6, p. 175-176; en Strik 2010, p. 126-127.
Idem Bulten 2012, p. 19.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 8 (MvT).
Vletter-van Dort, Ondernemingsrecht 2019/37. Voor de volledigheid wijs ik erop dat het standpunt van Vletter-van Dort niet specifiek ziet op de niet-uitvoerende bestuurder.
Hof Amsterdam (OK) 16 oktober 2003, JOR 2003/260 m.nt. Brink (Laurus). Zie in gelijke zin onder meer Hof Amsterdam (OK) 15 december 2011, JOR 2012/77 m.nt. Ouwehand (Landis); Rb. Breda 1 mei 1990, NJ 1990, 740 (Tilburgsche Hypotheekbank); en Rb. Noord-Nederland 4 december 2013, JOR 2014/64 m.nt. Van Thiel (Betelgeuze).
Dovey v Cory [1901] AC 477. In gelijke zin Re City Equitable Fire Assurance Co [1925] Ch. 407; Re Barings Plc (No 5) [1999] 1 BCLC 433; Equitable Life Assurance Society v Bowley [2004] 1 BCLC 180; en Madoff Securities International Ltd v Raven [2013] EWHC 3147.
Daniels v Anderson [1995] 13 ACLC 614. Ik wijs erop dat deze zaak is gewezen door de Court of Appeal van New South Wales (Australië). Aangezien Jonathan Parker J. deze benadering heeft overgenomen in Re Barings Plc (No. 5) [1999] 1 BCLC 433, is dit thans ook geldend recht in Engeland.
Aldus ook onder anderen Dumoulin, Ondernemingsrecht 2012/90; en Olaerts, TvOB 2012, afl. 6, p. 175. Volgens Timmerman mag een bestuurder niet op door een derde verstrekte vage, weinig concrete of subjectief gekleurde informatie vertrouwen. Hetzelfde geldt mijns inziens voor de niet-uitvoerende bestuurder, ook wanneer die informatie afkomstig is van een medebestuurder. Zie Timmerman, Ondernemingsrecht 2011/52.
Wat dit inhoudt, besprak ik in § VI.3.4.
Vletter-van Dort, Ondernemingsrecht 2019/37.
Kwalitatief goede informatie is cruciaal voor effectief toezicht. Het toezicht van de niet-uitvoerende bestuurders staat of valt met de kwaliteit van de informatie waarover zij beschikken.1 Het is evenwel de vraag hoe de niet-uitvoerende bestuurders kunnen weten of de informatie waarover zij beschikken juist en volledig is. Mogen zij daar zonder meer van uitgaan?2
In een one tier board worden de taken verdeeld over de uitvoerende en de niet-uitvoerende bestuurders. Dumoulin wijst er terecht op dat hierdoor aanzienlijke verschillen tussen de bestuurders kunnen ontstaan, zowel qua ervaring en deskundigheid als wat betreft hun betrokkenheid bij en informatie over de verdeelde taken.3 Een uitvoerend bestuurder heeft uit hoofde van zijn functie uiteraard meer kennis en informatie over aangelegenheden die tot zijn takenpakket behoren dan de andere bestuurders.4 Hetzelfde geldt voor de niet-uitvoerende bestuurders die deel uitmaken van een commissie.5 Is bij of krachtens de statuten bepaald dat bestuurders ‘op eigen houtje’ kunnen besluiten omtrent zaken die tot hun taak behoren, dan is de kennis- en informatievoorsprong mogelijk nog groter.
Tegen deze achtergrond ligt het in de rede dat de niet-uitvoerende bestuurder in beginsel mag afgaan op de informatie die hij ontvangt van een medebestuurder die vanwege zijn specialistische kennis met een bepaalde taak is belast.6 Hij behoeft de informatie niet steeds actief te controleren dan wel te laten verifiëren door een externe deskundige. Dat zou immers de voordelen van de taakverdeling tenietdoen.7 Het vertrouwen mag uiteraard niet blind zijn. De niet-uitvoerende bestuurder behoort de verstrekte informatie steeds aan een kritische blik te onderwerpen.8
Mijn opvatting vindt steun in de wetsgeschiedenis. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht merkte de minister op dat de niet-uitvoerende bestuurder die geen lid is van de auditcommissie zich tot op zekere hoogte mag laten leiden door de bevindingen van deze commissie.9 Tot op welke hoogte de niet-uitvoerende bestuurder mag vertrouwen op informatie van een medebestuurder, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Cultuur speelt hierbij volgens Vletter-van Dort een belangrijke rol.10 Ook de feitelijke en normatieve wetenschap van de niet-uitvoerende bestuurder is mijns inziens van belang.
Ter illustratie wijs ik op de zaak Laurus. De Ondernemingskamer oordeelde in deze zaak dat de raad van commissarissen in beginsel mag afgaan op de informatie die hem door het bestuur is verstrekt. De zaken liggen anders indien er aanwijzingen zijn dat de verstrekte informatie onjuist of onvolledig is. Volgens de Ondernemingskamer mag in dat geval van de raad van commissarissen worden verwacht dat hij zijn toezicht intensiveert.11
Ook in Engeland geldt dit uitgangspunt. Uit Dovey v Cory volgt dat de non-executives op de informatie van de executives mogen vertrouwen, maar dat dit vertrouwen niet blind mag zijn.12 De non-exeuctives mogen in elk geval niet van de juistheid van de informatie uitgaan indien zij redenen zouden moeten hebben om aan de juistheid van die informatie te twijfelen.13
Tegen deze achtergrond acht ik het aannemelijk dat de niet-uitvoerende bestuurders mogen vertrouwen op de juistheid en volledigheid van de verstrekte informatie, tenzij zij signalen ontvangen die blijk geven van het tegendeel.14 In dat geval moeten de niet-uitvoerende bestuurders een tandje bij zetten.15
Ik ben het met Vletter-van Dort eens dat de vraag waar gerechtvaardigd vertrouwen eindigt en gezond wantrouwen begint, niet eenduidig te beantwoorden is. Het vinden van de juiste balans is “een duivels dilemma”.16 De vraag of de niet-uitvoerende bestuurder gerechtvaardigd heeft vertrouwd op informatie die hij van een medebestuurder ontving, zal vaak pas achteraf opdoemen in een enquête- of aansprakelijkheidsprocedure. Ik kom hier in § VII.3.2.5.c op terug.