Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/4.4.7
4.4.7 Besteding van de veilingopbrengsten
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS604569:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 10 lid 3, categorieën a-i. Artikel 10 lid 3 onder h, vanaf ‘of’, en categorie i zien niet (in)direct op de uitstoot van broeikasgassen.
COM (2014) 689 final, p. 18 en 19, SWD (2015) 246 final, p. 23.
Jans &; Vedder 2012, p. 437. De term ‘zouden moeten’ lijkt niet te wijzen op een verplichting. Ook de Engelse taalversie lijkt met de term ‘should be used’ te suggereren dat er geen sprake is van een verplichting tot de genoemde uitgaven. Daar staat echter tegenover dat de laatste alinea van artikel 10 lid 3 Richtlijn ETS met de term ‘De lidstaten voldoen aan het in dit lid bepaalde’ of in het Engels ‘Member States shall be deemed to have fulfilled the provisions of this paragraph’ wel op een verplichting lijkt te wijzen. Het Hof van Justitie heeft hier nog geen oordeel over geveld, noch is deze vraag aan het Hof voorgelegd.
Zie het nader rapport van de Regering: Kamerstukken II 2010/11, 32667, nr. 4, p. 3 en 4, zie ook de brief van de Minister van Volkshuisvesting, Minister van Ruimtelijke Ordening en Milieu, Minister van Economische zaken en de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, Kamerstukken II 2008/09, 31209, nr. 73, p. 4 en 5. Zie tevens de politieke verklaring van de Raad van Ministers, waarnaar de Ministers in beide documenten refereren: Council of the European Union, 12 december 2008, 17215/08, Annex I, p. 7. Wel zij opgemerkt dat deze verklaring reeds voor de vaststelling van Richtlijn 2009/29/EG tot stand is gekomen, waarmee de Raad dus nog niet bekend kon zijn.
Gerecht EU 26 september 2014, T-614/13 (Romonta), r.o. 87.
Artikel 10 lid 3 Richtlijn ETS.
SWD (2015) 246 final, p. 23.
Immers, het betreft hier geen maatregel van de Raad van Ministers als bedoeld in artikel 109 VwEU. Slechts in dat geval zou de meldingsplicht worden opgeheven.
Artikel 108 lid 3 heeft dezelfde reikwijdte als artikel 107 lid 1 VwEU (Slot 2012, p. 960).
Artikel 10 lid 3 Richtlijn 2003/87/EG bepaalt dat lidstaten 50% van hun veilingopbrengsten, voor zover het betreft de veiling van algemene (niet luchtvaart) emissierechten, of het financieel waarde-equivalent ervan, zouden moeten besteden aan een van de categorieën die in dat lid worden genoemd. Deze categorieën hebben met name betrekking op maatregelen die (in)direct van invloed zijn op de uitstoot van broeikasgassen.1 Uit rapporten van de Commissie volgt dat Nederland momenteel aan deze 50%-eis voldoet.2 Overigens kan worden betwist of artikel 10 lid 3 een verplichting tot de uitgave aldaar genoemd bevat.3 De Nederlandse regering, met een verwijzing naar een politiek standpunt van de Raad van Ministers, lijkt hier in ieder geval niet vanuit te gaan.4 Het Gerecht van de EU daarentegen heeft in Romonta overwogen dat het om een verplichte besteding van 50% van de veilingopbrengsten gaat.5 Het Hof van Justitie heeft zich over deze 50%-eis tot op heden nog niet uitgelaten. Wel bestaat in ieder geval de verplichting voor Nederland om aan de Commissie te communiceren welke uitgaven het heeft gedaan voor de realisering van de doelstellingen van artikel 10 lid 3 Richtlijn ETS.6 De besteding van de veilingopbrengsten vindt in Nederland plaats via de algemene middelen van het Rijk.7
Wat betreft de opbrengst van de veiling van luchtvaartemissierechten, bepaalt artikel 3 quinquies lid 4 dat de lidstaten zelf bepalen hoe veilingopbrengsten moeten worden besteed, maar dat deze opbrengsten zouden moeten worden gebruikt voor de categorieën genoemd in dat lid. Ook voor dit onderdeel geldt dat onzeker is of de term ‘zouden moeten’ tot een verplichting voor Nederland leidt. Taalkundig lijkt dit in ieder geval niet zo te zijn. Ook hier geldt dat Nederland de Commissie op de hoogte moet houden van de acties die overeenkomstig dat lid worden genomen. Nederland voldoet momenteel overigens wel aan de bestedingsnorm.8
Overigens moet worden opgemerkt dat een besteding aan een van de voornoemde categorieën Nederland niet van een eventuele melding van de besteding op grond van artikel 108 lid 3 VwEU ontslaat.9 Althans voor zover de besteding als een steunmaatregel in de zin van artikel 107 lid 1 VwEU valt te kwalificeren.10