Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/2.3.3
2.3.3 Samenwerking AFM, DNB en de ECB
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268462:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de werking van het SSM onder meer, G. ter Kuile, Het Europese Bankentoezicht. De werking van het SSM (Financieel Juridische reeks, deel 17), Zutphen: Uitgeverij Paris 2020, W.H. Bovenschen e.a., ‘Europees bankentoezicht (SSM). Juridische en praktische perspectieven’, NtER 2013, afl. 10, p. 364-373, B. Bierman & L.J. Silverentand, ‘De juridische en praktische gevolgen van het SSM: van het Frederiksplein naar de Kaiserstrasse’, FR 2014, afl. 11, p. 441-452, B. Bierens, ‘De Bankenunie: een nieuw huis voor het Europees bankentoezicht’, Ondernemingsrecht 2014/59, afl. 6, p. 288-297 en B. Bierman & C.A. Doets, ‘The SSM: legal hurdles in practice and the 2015 Annual Report’, FR 2016, afl. 6, p. 225.
Art. 6, eerste lid, Verordening (EU)1024/2013, hierna: “SSM-Verordening”.
Op grond van art 2, onderdeel I, Besluit uitvoering EU-verordeningen is DNB aangewezen als nationale bevoegde autoriteit. Zie over de wederzijdse beïnvloeding tussen de ECB en de nationale toezichthouders in de context van personentoetsingen ook Hoofdstuk 1, par. 1.3.5 en 1.3.7.
Zie art. 6, vierde lid SSM-Verordening en art. 39 e.v. Verordening (EU) 468/2014 (hierna: “SSM-Kaderverordening”). Voor het onderscheid tussen significante en minder significante banken wordt gebruik gemaakt van diverse criteria, zoals omvang en het belang van de instelling voor de economie.
Art. 6, zesde lid, jo art. 6, vierde lid SSM-Verordening.
Art. 6, eerste lid, SSM-Verordening.
Art. 4, derde lid, tweede subparagraaf en art. 6, derde lid en vijfde lid aanhef en sub a en c SSM-Verordening.
Art. 6, vijfde lid, onderdeel b SSM-Verordening en art. 67 e.v. SSM-Kaderverordening.
In de hieraan voorafgaande uitspraak had het Gerecht EU er reeds op gewezen dat het rechtstreekse prudentiële toezicht op minder significante banken wordt “geflankeerd” door de ECB, die volgens art. 6, lid 5, onder a) en b) van de SSM-Verordening verordeningen, richtsnoeren of algemene instructies kan richten tot de nationale bevoegde autoriteiten, die overeenkomstig die verordeningen, richtsnoeren en algemene instructies de in art. 4 van die verordening omschreven taken verrichten. Het door de nationale autoriteiten in het kader van het SSM uitgeoefende rechtstreekse prudentiële toezicht op minder significante banken moet daarom worden opgevat als een wijze van bijstand aan de ECB, veeleer dan als de uitoefening van een autonome bevoegdheid (Gerecht EU 16 mei 2017, T-122/15, ECLI:EU:T:2017:337). Het HvJ EU heeft deze uitspraak bekrachtigd (HvJ EU 8 mei 2019, C-450/17, ECLI:EU:C:2019:372). Zie over de uitspraak in eerste aanleg: A.W.M. van Toor, ‘Eerste uitspraak over de rolverdeling van de Europese Centrale Bank en nationale toezichthouders binnen het Single Supervisory Mechanism’, NtER 2017, afl. 7, p. 190-196 en JOR 2017/201 m.nt. E.P.M. Joosen.
Voor DNB volgt dit uit het beginsel van loyale samenwerking. Voor de AFM is hierbij het Memorandum of Understanding van belang dat is gesloten tussen de AFM en de ECB, en waarbij onder meer in de uitwisseling van informatie is voorzien (Memorandum of Understanding on cooperation between the European Central Bank and the Netherlands Authority for the Financial Markets, SSM/2017/0210, https://www.afm.nl/nl-nl/over-afm/werkzaamheden/internationale-samenwerking/mou).
Art. 4, eerste lid sub a jo 6, vierde lid jo 14 SSM-Verordening. De ECB is exclusief bevoegd tot het verlenen en intrekken van vergunningen. Dit geldt voor alle banken, significant en minder significant. DNB bereidt echter wel (samen met de AFM) het besluit voor.
Art. 4, eerste lid sub c jo 6, vierde lid jo 15 SSM-Verordening. Het verlenen van verklaringen van geen bezwaar (vvgb’s) voor gekwalificeerde deelnemingen in banken is de exclusieve bevoegdheid van de ECB. DNB beoordeelt of de voorgenomen verwerving voldoet aan de wettelijke voorwaarden. en stelt een ontwerpbesluit op ter besluitvorming door de ECB.
Zie voor een toelichting op de taakverdeling tussen de nationale autoriteiten en de ECB in het vvgb-proces ook de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Berlusconi en Fininvest van 19 december 2018 (C-219/17,ECLI:EU:C:2018:1023) en de daaraan voorafgaande conclusie van de AG (ECLI:EU:C:2018:502).
Zie hierover ook A.A. van Gelder & P. Teule, ‘Gedragstoezicht en het SSM: op weg naar een nieuwe balans’, FR 2014, afl. 11, p. 466-467.
Memorandum of Understanding on cooperation between the European Central Bank and the Netherlands Authority for the Financial Markets, SSM/2017/0210, https://www.afm.nl/nl-nl/over-afm/werkzaamheden/internationale-samenwerking/mou.
Niet zijnde: toetsingen in het kader van vergunningverlening of afgifte van verklaring van geen bezwaar.
Art. 6, zevende lid, aanhef en sub c, subonderdeel i SSM-Verordening en art. 97, eerste lid en tweede lid sub a en vijfde lid SSM-Kaderverordening.
Art. 6, zevende lid, aanhef en sub c, subonderdeel iii, SSM-Verordening en art. 97 en 98 SSM-Kaderverordening.
Zie hierover ook: I.P. Palm-Steyerberg, ‘De Europese Bankenunie: toezicht op de Nederlandse banken door de ECB, DNB en de AFM’, in: Jaarboek voor Compliance 2015, Capelle aan de IJssel: Nederlands Compliance Instituut 2015, p. 15-30.
Op 4 november 2014 is het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (Single Supervisory Mechanism hierna: “SSM”) opgericht.1 Sindsdien is de ECB verantwoordelijk voor het prudentieel bankentoezicht in het gehele eurogebied.2 De ECB voert dit toezicht uit samen met de nationale toezichtautoriteiten, zoals DNB.3 Daarbij is de ECB direct verantwoordelijk voor de significante banken.4 De nationale toezichthouders blijven in beginsel verantwoordelijk voor het prudentieel toezicht op de minder significante banken.5 De ECB is echter eindverantwoordelijk voor het gehele bankentoezicht en voor het doeltreffend en consistent functioneren van het SSM als geheel.6 Deze verantwoordelijkheid ziet op zowel de significante als minder significante banken. Bij de uitvoering van haar toezicht kan de ECB richtsnoeren en aanbevelingen vaststellen, welke betrekking kunnen hebben op zowel significante als minder significante banken.7 De nationale toezichthouders dienen hun taken overeenkomstig deze richtsnoeren en aanbevelingen te verrichten. Ook kan de ECB besluiten om, wanneer zij meent dat dit “noodzakelijk is voor de consistente toepassing van hoge toezichtstandaarden”, het toezicht op een minder significante bank naar zich toe te trekken.8 Het toezicht op de minder significante banken door de nationale toezichthouders moet daarom worden beschouwd als een decentrale uitoefening van de exclusieve bevoegdheid van de ECB; de nationale toezichthouders staan de ECB bij en handelen onder toezicht van de ECB. Zie de uitspraak van het HvJ EU van 8 mei 2019 (Landeskreditbank Baden-Württemberg–Förderbank/ ECB).9
Sinds de oprichting van het SSM is de ECB direct verantwoordelijk voor alle personentoetsingen bij significante banken. Bij gebreken in de betrouwbaarheid en/of geschiktheid kan de ECB een beleidsbepaler of interne toezichthouder opnieuw toetsen (hertoetsen) en heenzenden.10 Zowel DNB als de AFM kunnen de ECB attenderen op geconstateerde gebreken in de geschiktheid of betrouwbaarheid van beleidsbepalers of interne toezichthouders bij significante banken, en dit kan voor de ECB aanleiding zijn voor een hertoetsingsonderzoek.11 Bij zowel significante als minder significante banken is de ECB voorts direct verantwoordelijk voor de toetsingen in het kader van vergunningverlening12 en afgifte van verklaringen van geen bezwaar.13 DNB bereidt, in samenwerking met de AFM, al deze toetsingen echter nog wel voor, in samenwerking met het toezichtteam14 en de betrokken ECB-divisies.15 De concept- besluiten worden vervolgens ter besluitvorming voorgelegd aan de ECB. De ECB is exclusief beslissingsbevoegd.
De consequentie hiervan moet zijn dat het instrument van de bindende aanbeveling, zoals hiervoor besproken, bij deze toetsingen toepassing mist. De AFM kan de ECB geen bindende aanbeveling opleggen, en ook DNB kan in deze gevallen niet langer alleen beslissen over een besluit tot heenzending. De besluitvorming is hier opgetrokken tot Europees niveau, en geen van de twee Nederlandse toezichthouders heeft hierbij nog het laatste woord.16 Wel mag worden aangenomen dat de ECB een bindende aanbeveling van de AFM aan DNB, die door DNB wordt verwerkt in een concept-besluit ter besluitvorming door de ECB, niet zomaar zal negeren. Dit volgt ook uit de Memorandum of Understanding (MoU) tussen de AFM en de ECB, waarin afspraken staan opgenomen over onderlinge bijstand, informatie-uitwisseling en samenwerking.17
De reguliere toetsingen18 bij de minder significante banken in Nederland worden nog volledig uitgevoerd door de Nederlandse toezichthouders en zij nemen ook de bijbehorende besluiten.19 Bij deze toetsingen werken DNB en AFM samen als voorheen. De AFM heeft het recht om een bindende aanbeveling te doen en DNB zal uiteindelijk het besluit nemen. Wel dient de ECB van een hertoetsingsprocedure in kennis te worden gesteld. De ECB kan DNB vervolgens verzoeken om specifieke punten nader te onderzoeken.20 Ook is de ECB bevoegd om haar visie te geven op concept-heenzendingsbesluiten die de nationale toezichthouders in dit kader opstellen.21
Deze verdeling levert een interessant spanningsveld op wanneer de AFM een bindende aanbeveling zou doen tot heenzending van een persoon bij een minder significante bank en de ECB, desalniettemin, een positief oordeel zou hebben bij deze persoon. DNB zou dan in beginsel een besluit moeten nemen in lijn met de visie van de AFM, terwijl de ECB uiteindelijk eindverantwoordelijk is voor het gehele bankentoezicht en bijvoorbeeld ook het toezicht op minder significante banken naar zich toe kan trekken. In de praktijk heeft zich deze situatie nog niet voorgedaan, en het is uiteraard aan de toezichthouders om, mocht een dergelijke situatie zich in de toekomst voordoen, hier in goed onderling overleg uit te komen.
Met de komst van het Europese bankentoezicht zijn er dus maar liefst drie toezichthouders actief bij het uitvoeren van toetsingen bij Nederlandse banken: DNB, de AFM en de ECB. Daarbij heeft iedere toezichthouder zijn eigen bevoegdheden, en werken de toezichthouders daarnaast intensief met elkaar samen bij het vervullen van dezelfde taak. Deze situatie kan soms voor de sector onoverzichtelijk zijn, maar is het logische gevolg van het in Nederland (goed functionerende) Twin Peaks-model en de door Europa gekozen combinatie van onafhankelijk ECB-toezicht met nationaal toezicht, waardoor gebruik gemaakt kan worden van de nationaal aanwezige kennis, ervaring en middelen.22