Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker
Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/8.4.2:8.4.2 ‘Bijzondere’ gevallen binnen het bedrijf
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/8.4.2
8.4.2 ‘Bijzondere’ gevallen binnen het bedrijf
Documentgegevens:
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS302827:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wel is een vordering tegen de werkgever van de ‘stuntende’ werknemer denkbaar ex art. 6:170.
Ook hier is ex art. 6:170 een vordering denkbaar tegen de werkgever van de ‘foutief’ handelende werknemer.
Parl. gesch. Boek 6, p. 763; HR 23 februari 1990, NJ 1990/365 (Zengerle/Blezer).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het functioneel verband van art. 6:181 zou als gezegd (par. 8.2, slot) verhelderend kunnen werken in situaties waarin geen direct verband bestaat tussen het schadeveroorzakende gebruik van de zaak en de bedrijfsactiviteiten van de ex art. 6:181 aangesprokene. Een eerste groep afbakeningsgevallen wordt mijns inziens gevormd door ‘gevaarlijke spelletjes’ of ander ‘oneigenlijk’ gebruik binnen een bedrijf waarbij hulpzaken van de bedrijfsuitoefenaar zijn betrokken. Ter illustratie wijs ik op Hof Den Haag 17 juli 2008, JA 2008/125 (Kraanspel), een zaak die overigens in de sleutel van art. 7:658 staat. Een werknemer van een havenbedrijf diende met behulp van een hijskraan steigermateriaal vanuit een flatgebouw naar de begane grond te verplaatsen. De kraan stak tot buiten het gebouw. Nadat het laatste materiaal op de begane grond was gelost, werd de kraanhaak weer opgehaald. Daarop greep de werknemer deze vast, met de bedoeling zich een stukje omhoog te laten hijsen om daarna los te laten en weer veilig op de grond terecht te komen. Een windvlaag blies de aan de kraanhaak hangende werknemer echter boven het zojuist opgestapelde steigermateriaal, waardoor hij niet meer durfde los te laten. Uiteindelijk viel hij van grote hoogte naar beneden toen zijn armen zijn gewicht niet meer konden dragen. In de eerste plaats kwam het aan op de vraag of de schade van de werknemer wel ‘in de uitoefening van zijn werkzaamheden’ in de zin van art. 7:658 was geleden. De kantonrechter oordeelde dat niet aan dit functionele verband tussen werk en schade was voldaan: er was sprake van gevaarlijke spelletjes op het werk die niet onder het beschermingsbereik van art. 7:658 vielen. Het hof achtte het voor art. 7:658 vereiste functionele verband wel aanwezig, maar gaf de werknemer uiteindelijk eveneens nul op het rekest door ‘bewuste roekeloosheid’ in de zin van art. 7:658 lid 2 aan te nemen.
Stel nu dat niet de werknemer zelf maar een derde (bijvoorbeeld een leverancier die zich toevallig op het bedrijfsterrein bevond) schade zou hebben geleden door het kraanspel te wijten aan een gebrek in de mobiele hijskraan. Vond het schadeveroorzakende gebruik van de kraan plaats ‘in de uitoefening van’ het bedrijf van de werkgever ex art. 6:181 jo. 173? Hoewel de aard van het gebruik niet bij de bedrijfsvoering past, wijzen de locatie, het tijdstip en het feit dat de kraan een hulpmiddel van de werkgever is wel in diens richting. Voorts hebben de bedrijfsactiviteiten de gelegenheid voor het schadeveroorzakende gebruik geschapen, terwijl blijkens het geldende verbod om het kraanspel te spelen de bedrijfsuitoefenaar bovendien zeggenschap had over de gedragingen waarin het schadeveroorzakende gebruik was gelegen. Ook kunnen de bij het schadeveroorzakende gebruik betrokken personen en zaken ten tijde en ter plaatse van dit gebruik als een zekere eenheid worden beschouwd. Tot slot heeft de werkgever (normaliter) het profijt van de – gebrekkig gebleken – hijskraan. Ook in geval van gevaarlijke spelletjes of oneigenlijk gebruik binnen een bedrijf zal dus niet snel een te ver verwijderd verband met de desbetreffende bedrijfsuitoefening bestaan. Oftewel, ook in bedoelde gevallen kwalificeert de bedrijfsuitoefenaar ex art. 6:181 in beginsel als ‘gebruiker’ van de zaak.
Wel kan hierbij aangetekend worden dat in geval van gevaarlijke spelletjes of ander ‘oneigenlijk’ gebruik van zaken binnen een bedrijf, bij de beoordeling van de aansprakelijkheid ex art. 6:181 de toepassing van het gebreksvereiste uit art. 6:173 en 174 alsmede de eis van ‘eigen energie’ uit art. 6:179 niet vergeten moeten worden. Stel dat een medewerker van een schildersbedrijf tijdens werktijd op een werklocatie een ‘stunt’ uithaalt met een gasbrander op een steiger. Wanneer het apparaat daarbij onbedoeld uit zijn handen glipt, een aantal meters lager hard op de grond terechtkomt en daardoor ontploft, lijdt een toevallige voorbijganger schade. Los van de vraag of hier sprake is van een gebruik van de gasbrander ‘in de uitoefening van’ het schildersbedrijf, zou het gebreksvereiste van art. 6:173 al in de weg kunnen staan aan een vordering ex art. 6:181 jo. 173 tegen de werkgever. Men kan zich immers afvragen of een gasbrander bestand dient te zijn tegen gebruik dat (ver) buiten de lijn der normale verwachting ligt.1 Gaat het om ‘gevaarlijke spelletjes’ met dieren, dan valt niet uit te sluiten dat in bepaalde gevallen kan worden gezegd dat de schade niet is voortgevloeid uit de ‘eigen energie’ van dit dier maar veeleer is te wijten aan een handelen als ‘instrument’ van de begeleider.2 Alsdan treedt de aansprakelijkheid ex art. 6:179 niet in,3 en die van de in art. 6:181 bedoelde bedrijfsmatige gebruiker dus evenmin.