Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/2.3.3.1
2.3.3.1 Middelen die niet alledaags en/of weinig maatschappelijk waardevol zijn
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715427:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Cornford 2015, p. 26. Vgl. Feinberg 1984, p. 191. Vanuit liberaal oogpunt is die redenering uiteraard zeer problematisch, omdat daarmee het belang van het voorwerp voor de gemeenschap boven de vrijheid van het individu wordt gesteld.
In zijn algemeenheid zal vermoedelijk ook wel een verband bestaan tussen het maatschappelijk nut van een middel en de mate waarin dat middel als alledaags te kwalificeren is, al zijn er uiteraard genoeg maatschappelijk nuttige middelen die niet alledaags zijn (denk aan flessenlikkers) en alledaagse middelen die niet maatschappelijk nuttig zijn (denk aan babyschoentjes).
Ten Voorde 2012b, p. 82.
Ten Voorde 2012b, p. 82.
HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213 (Samir A.).
Vanuit communitaristisch oogpunt is een van de belangrijkste bezwaren tegen de strafbaarstelling van voorbereiding dat het bezit en gebruik van maatschappelijk waardevolle middelen niet moet worden verboden. Een burger heeft bijvoorbeeld een legitieme reden voor het bezit van een broodmes, omdat het een maatschappelijk waardevol middel is.1 Een broodmes verschilt daarin van een boksbeugel, waarvan het bezit wel is verboden, zelfs al kan met een broodmes net zo goed – of misschien nog wel beter – letsel toe worden gebracht als met een boksbeugel.2 In het verlengde daarvan zal vrijwel ieder huishouden over een broodmes beschikken, terwijl een stuk minder huishoudens een boksbeugel zullen bezitten.3
Een voordeel van het centraal stellen van het maatschappelijke nut van voorbereidingsmiddelen is dat rekening kan worden gehouden met de context van de gedraging. Of een burger een legitiem gebruik heeft voor een bepaald middel, is niet slechts afhankelijk van de aard van het middelen, maar ook van de omstandigheden waaronder het middel wordt gebruikt. Het recht om op straat een broodmes voorhanden te hebben lijkt mij bijvoorbeeld veel minder nuttig voor de maatschappij dan het recht om datzelfde mes in de keuken voorhanden te hebben. Ten Voorde wijst er verder terecht op dat de vraag of bepaalde middelen een legitiem gebruik hebben ook afhangt van de maatschappelijke en politieke opvattingen in een samenleving.4 Het in het openbaar dragen van een kirpan – de rituele dolk die de Sikh moeten dragen – zal in India bijvoorbeeld heel anders worden geïnterpreteerd dan in Nederland en over het maatschappelijke nut van het bezit van vuurwapens en drugs bestaan, zoals gezegd, zelfs binnen de westerse wereld meningsverschillen.5
De mate waarin een voorwerp alledaags of maatschappelijk nuttig is, weegt doorgaans mee in de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging en in de mate waarin de gedraging met het voorwerp onrust veroorzaakt. De voorwerpen die Samir A. voorhanden had, waren vanuit causaal oogpunt bijvoorbeeld wellicht volstrekt ongeschikt om daadwerkelijk een bom mee te maken, maar daar staat tegenover dat het bezit van onderdelen om een bom mee te maken nauwelijks maatschappelijk waardevol is en ook niet bepaald als alledaags te kwalificeren is en bovendien onrust zal veroorzaken. Wat dat betreft is het vanuit communitaristisch oogpunt niet vreemd dat de Hoge Raad de initiële vrijspraak van Samir A. door het hof casseerde.6