Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/8.3.2
8.3.2 Andere vereisten dan het samenhangcriterium
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950335:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over het wederzijds schuldenaarschap en uitzonderingen daarop § 3.2.
Zie over het verbintenisbegrip § 3.3.2.
Zie § 3.3.1.
Zie § 3.3.3. Hierna ga ik nader in op de vordering van de schuldenaar op zijn wederpartij en zijn verbintenis jegens die wederpartij. Die uitwerking kan dus van overeenkomstige toepassing zijn op prestaties die niet als een verbintenis kwalificeren, maar ik zal dat niet meer afzonderlijk benoemen.
Zie § 3.4.1.
Zie § 3.4.2.
Zie § 3.4.3.
Zie § 3.5.1.
Zie § 3.5.2.
Zie § 3.4.5.
Zie § 3.4.6.
Zie § 3.6.1.
Zie over het ontbreken van een opschortingsbevoegdheid bij een niet-opeisbare verbintenis § 3.6.2 en § 3.6.3.
Zie § 3.6.4.
Voor opschortingsbevoegdheid op grond van artikel 6:52 BW is wederzijds schuldenaarschap vereist. Wanneer dit wederzijds schuldenaarschap ontbreekt, bestaat in beginsel geen opschortingsbevoegdheid op grond van artikel 6:52 BW.1 Voorts is voor opschortingsbevoegdheid op grond van artikel 6:52 BW het bestaan van verbintenissen over en weer vereist.2 Deze vereiste verbintenissen over en weer behoeven geen wederkerige verbintenissen als bedoeld in artikel 6:261 BW te zijn.3 Op gevallen waarin de wederzijdse prestaties niet tevens als een verbintenis kwalificeren of waarin de prestatie van een van de partijen niet tevens een verbintenis is, terwijl tussen de wederzijdse prestaties wel voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen, kunnen de daarvoor geschikte bepalingen uit afdeling 6.1.7 BW van overeenkomstige toepassing zijn. Voor die gevallen is het vereiste van het bestaan van verbintenissen over en weer niet verlaten, maar in voorkomend geval is de schuldenaar wel bevoegd de voldoening van zijn verplichting op te schorten, indien aan de uit artikel 6:52 BW voortvloeiende maatstaf is voldaan. Dit kan ook gelden voor verplichtingen die voortvloeien uit verhoudingen of relaties tussen personen die niet door het recht worden beheerst en in zoverre dus geen rechtsbetrekking zijn, maar geldt niet voor verplichtingen die niet worden beheerst door het recht of rechtsbetrekkingen zonder vermogensrechtelijk karakter.4
Artikel 6:52 lid 1 BW vereist een vordering van de schuldenaar op zijn wederpartij.5 Op dit vereiste kunnen zich uitzonderingen voordoen, bijvoorbeeld in het geval waarin de vordering van de schuldenaar in verband waarmee hij opschortingsbevoegd was, achteraf, met terugwerkende kracht ontbreekt. De schuldenaar kan zich dan, gedurende de periode dat hij die vordering had, toch gerechtvaardigd hebben beroepen op het algemene opschortingsrecht.6
De vordering van de schuldenaar moet tevens opeisbaar zijn.7 Ook op dit vereiste bestaan uitzonderingen. Zo blijft een opschortingsbevoegdheid ook na verjaring van de rechtsvordering op de wederpartij in stand (art. 6:56 BW).8 En op grond van artikel 6:80 BW treden de gevolgen van niet-nakoming reeds in voordat de vordering opeisbaar is. Een van die gevolgen is het vervroegd mogen inroepen van het algemene opschortingsrecht.9
Het uitblijven van nakoming door de wederpartij is voor de opschortingsbevoegdheid voldoende. Voor opschortingsbevoegdheid op grond van artikel 6:52 lid 1 BW is geen verzuim vereist.10 Evenwel bestaat geen opschortingsbevoegdheid voor zover nakoming door de wederpartij blijvend onmogelijk is of is geworden (art. 6:54 aanhef en onderdeel b BW), omdat de wederpartij niet kan worden gedwongen tot nakoming van een vordering of een gedeelte daarvan als hij die blijvend niet kan nakomen. Dat geldt niet voor het geval de nakoming van een vordering tijdelijk onmogelijk is.11
Artikel 6:52 lid 1 BW vereist tevens een opeisbare verbintenis van de schuldenaar.12 In het geval waarin de verbintenis van de schuldenaar niet opeisbaar is, bijvoorbeeld in het geval waarin de wederpartij eerst zelf dient te presteren (Vorleistungspflicht genoemd), ontbreekt het de schuldenaar mijns inziens aan een opschortingsrecht. Dat de schuldenaar dan nog niet tot nakoming is gehouden, ontleent hij immers niet aan een door zijn wederpartij verlangde nakoming in strijd met de redelijkheid en billijkheid, maar aan de niet-opeisbaarheid van zijn verbintenis.13
Ten tijde van het beroep op het algemene opschortingsrecht zal de schuldenaar tot nakoming van zijn verbintenis in staat moeten zijn. De uitoefening van algemene opschortingsrecht is niet bedoeld om de onmogelijkheid van zijn eigen nakoming te verhullen of een extra termijn te creëren waarin de schuldenaar kan proberen alsnog in een situatie te komen verkeren waarin hij wel tot nakoming in staat zal zijn.14