De turboliquidatie van de Besloten Vennootschap
Einde inhoudsopgave
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/13.1.1:13.1.1 Het beslissingsbevoegde orgaan inzake de turboliquidatie
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/13.1.1
13.1.1 Het beslissingsbevoegde orgaan inzake de turboliquidatie
Documentgegevens:
mr. S. Renssen, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. S. Renssen
- JCDI
JCDI:ADS393316:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De eerste problematiek ontstaat reeds in een stadium voorafgaand aan de turboliquidatie. Alvorens een turboliquidatie plaats kan vinden, zal in de regel allereerst een ontbindingsbesluit door de algemene vergadering ex artikel 2:19 lid 1 sub a BW dienen te worden genomen. Naast dit besluit zal ook een constatering dienen te worden gedaan; de constatering dat de BV ten tijde van ontbinding geen baten meer heeft. In de wet ontbreekt echter een expliciete bevoegdheidsgrondslag hiervoor. In de jurisprudentie en literatuur wordt aangenomen dat het bestuur hiertoe bevoegd is. Bovendien volgt uit jurisprudentie dat het oordeel van het bestuur voldoende is om tot turboliquidatie over te kunnen gaan en dat het bestuur hieromtrent geen verantwoording hoeft af te leggen tegenover de schuldeisers van de BV. Verondersteld wordt dat de schuldeisers al voldoende beschermd worden tegen onterechte (veelal frauduleuze) turboliquidaties, doordat zij op grond van artikel 2:23c lid 1 BW de BV kunnen laten herleven.
Geconcludeerd kan echter worden dat de schuldeisers door de mogelijkheid die artikel 2:23c lid 1 BW hen biedt niet voldoende beschermd worden en wel om de volgende zeven redenen:
Het is voor een schuldeiser moeilijk te achterhalen of er baten zijn binnen de BV en het bestaan hiervan aan te tonen. Over het laatste verkorte boekjaar van een turbogeliquideerde BV hoeft immers geen jaarrekening te worden opgemaakt en de schuldeiser heeft niet de mogelijkheid om de administratie van de BV te raadplegen op grond van artikel 2:24 lid 4 BW.
Het starten van een procedure ex artikel 2:23c lid 1 BW brengt uiteraard kosten met zich mee, terwijl niet zeker is dat deze worden gerecupereerd.
Het starten van een procedure ex artikel 2:23c lid 1 BW kost veel tijd.
Een turboliquidatie vindt plaats zonder dat de wettelijke vereffeningsprocedure wordt gevolgd, als gevolg waarvan dit feit – behalve in het handelsregister – niet wordt gepubliceerd. Hierdoor zijn schuldeisers niet bekend met de turboliquidatie van de BV.
Wanneer een turbogeliquideerde BV herleeft ex artikel 2:23c lid 1 BW, wordt deze herleving niet ingeschreven in het handelsregister of anderszins gepubliceerd. Hierdoor zijn de schuldeisers – die de procedure niet hebben gestart – niet op de hoogte van de herleving en daarmee de mogelijkheid om de BV in rechte te betrekken.
Bovendien leiden de aantrekkelijke aspecten, kosteloosheid en eenvoud, verbonden aan de procedure, waarmee een BV via een turboliquidatie kan worden ontbonden er toe dat de kans dat het bestuur frauduleus naar een turboliquidatie toewerkt, wordt vergroot.
Ook de verhouding tussen de aandeelhouders en het bestuur wordt – doordat het bestuur constateringsbevoegd is – verstoord. Omdat de constatering de ontbinding van de BV zonder vereffeningsprocedure tot gevolg heeft, kan mijns inziens worden betoogd dat het aan de aandeelhouders zou moeten zijn de constatering te doen, althans hierbij betrokken te zijn.