Einde inhoudsopgave
De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht (IVOR nr. 91) 2012/7.4.6
7.4.6 Rechtsmiddelen op nationaal niveau
mr. A.J.P. Schild, datum 06-11-2012
- Datum
06-11-2012
- Auteur
mr. A.J.P. Schild
- JCDI
JCDI:ADS387673:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. de uitspraken van de Rb’s-Gravenhage van 13 mei 2003, LJN AF8506 en 3 juni 2003, LJN AF9389 (Stichting Al Aqsa).
Het Hof van Justitie eist namelijk dat de betrokkene steeds een verzoek tot delisting kan doen. Zie HvJ EU 9 september 2010, T-348/07, EHRC 2010, 133 (Al Aqsa t. Raad), § 165.
Rechtbank’s-Gravenhage 3 mei 2003, LJN AF8506.
Art. 8: 29 lid 1Awb luidt: “Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de rechtbank mededelen dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.” De toepassing van art. 8: 29 Awb is door het EHRM gesanctioneerd in EHRM 20 juli 2010, appl. nr. 4900/ 06, AB 2011, 132 m.nt. Barkhuysen & Van Emmerik (A. t. Nederland). Eerder in gelijke zin: ABRvS 8 april 2009, JB 2009,133 waarin de Afdeling oordeelde dat het recht op een eerlijke procesvoering door art. 8: 29 Awb niet in zijn essentie wordt beperkt.
Ingevolge art. 87, eerste lid, eerste volzin, van de Wiv is het uitsluitend aan de minister (in plaats van aan de rechter) te beoordelen en te beslissen over de gerechtvaardigdheid van de beperkte kennisneming. Deze volzin is echter door de Afdeling in strijd met art. 6 EVRM geacht en dient als onverbindend te worden beschouwd: ABRvS 30 november 2011, AB 2012, 142 m.nt. Barkhuysen & Van Emmerik. Ook onder de Wiv beslist de rechter over de gerechtvaardigdheid van een beperkte kennisneming.
Zie de bij het toetsingskader besproken jurisprudentie van het EHRM. Dat een rechter inzage wordt geboden in de vertrouwelijke documenten is ook in het belang voor het behoud van het vertrouwen in het beleid van de Staat in deze. Wanneer geen enkele controle door de rechter mogelijk zou zijn op de gronden die tot listing hebben geleid, zou het beeld kunnen ontstaan dat de Staat soms op lichtvaardige gronden een aanwijzingsbesluit neemt. Die verdenking kan met behulp van de mogelijkheid die art. 8: 29 Awb aan de rechter biedt worden bestreden.
Bij de vraag naar de rechtsmiddelen die een in Nederland gevestigde (rechts) persoon kan aanwenden wanneer deze wordt ‘gelist’ is allereerst relevant of sprake is van een listing die op initiatief van Nederland geschiedt.
In een geval van een listing door Nederland kon de desbetreffende (rechts) persoon, zoals hiervoor reeds aangegeven, tot inwerkingtreding van de Sanctieregeling terrorisme 2007-II eind 2007 de rechtmatigheid van de aanwijzing (een algemeen verbindend voorschrift) bij de civiele rechter aan de orde stellen.1 Sinds inwerkingtreding van de Sanctieregeling terrorisme 2007-II eind 2007 staat een bestuursrechtelijke rechtsgang open. Het is overigens niet zo dat dat de Staat zich op de formele rechtskracht zal kunnen beroepen wanneer de (rechts) persoon niet binnen zes weken na bekendmaking van het besluit daartegen bezwaar heeft gemaakt.2
Wanneer aan het besluit of de aanwijzing een vertrouwelijk ambtsbericht van de AIVD ten grondslag ligt – hetgeen doorgaans het geval zal zijn – kan de rechter van de Staat verlangen dat hij (evt. samen met de griffier) inzage krijgt in het ambtsbericht. Het ambtsbericht wordt dan niet geopenbaard aan de belanghebbende. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft zijn oordeel dat hem vertrouwelijk inzage moet worden geboden in de AIVD informatie als volgt toegelicht:3
“3.11. Vertrouwelijke inzage door de rechter van relevante stukken lijkt op gespannen voet te staan met een der hoofdbeginselen van het procesrecht, namelijk het recht op hoor en wederhoor. Daardoor zal uit de motivering van het (eind)vonnis na de vertrouwelijke kennisneming niet blijken van datgene waarin vertrouwelijke inzage is gegeven, zodat in zoverre de te geven motivering niet rechtstreeks controleerbaar is. Niettemin is denkbaar dat uit hoofde van overwegingen van openbare orde op genoemd hoofdbeginsel een uitzondering wordt gemaakt. Een dergelijke situatie doet zich thans voor. Daarbij is ook van belang dat partijen met het maken van een uitzondering ingestemd hebben en onderhavige toetsing bovendien bestuursrechtelijke aspecten heeft, in welk recht vertrouwelijke kennisneming door de rechter niet ongebruikelijk is (zie artikel 8: 29 van de Algemene wet bestuursrecht).”
Zoals in de hiervoor weergegeven passage reeds wordt opgemerkt biedt art. 8: 29 Awb in de bestuursrechtelijke procedure, zoals die sinds eind 2007 openstaat tegen een aanwijzingsbesluit, de rechter de mogelijkheid inzage te krijgen in vertrouwelijke documenten.4 Art. 87 Wiv geeft (sinds 2002) een vergelijkbare regeling voor informatie afkomstig van de AIVD.5
Het ligt voor de hand dat wanneer wordt opgekomen tegen een aanwijzingsbesluit steeds van de Staat verlangd kan worden dat hij de rechter inzage geeft in de vertrouwelijke documenten teneinde een controle door de rechter mogelijk te maken. Wil van een effectieve rechtsbescherming kunnen worden gesproken dan dient een onafhankelijke rechter te kunnen oordelen over de vraag of er daadwerkelijk voldoende substantiële redenen zijn die het nemen van een aanwijzingsbesluit kunnen rechtvaardigen.6
Zowel de Staat als de belanghebbende zullen redelijkerwijze gehouden zijn om hun toestemming te verlenen aan de vertrouwelijke inzage van de onderliggende documentatie door de rechter. Bij weigering door de Staat zal de openbare opgave van redenen het besluit moeten kunnen dragen. Bij weigering door de belanghebbende zal de rechter niet kunnen uitsluiten dat de onderliggende (geheime) documentatie voldoende draagkrachtige redenen bevat om het aanwijzingsbesluit te kunnen dragen.