Einde inhoudsopgave
De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht (IVOR nr. 91) 2012/7.4.8
7.4.8 Rechtsbescherming op Unie-niveau voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon
mr. A.J.P. Schild, datum 06-11-2012
- Datum
06-11-2012
- Auteur
mr. A.J.P. Schild
- JCDI
JCDI:ADS390029:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Omdat voor personen binnen de EU niet het gemeenschappelijke buitenlandbeleid als grondslag kon dienen, maar een listing diende te geschieden op grond van art. 34 EU-Verdrag dat deel uitmaakt van titel VI van het EU-Verdrag, ‘Bepalingen inzake politiële en justitiële samenwerking in strafzaken’ (voorheen de ‘derde pijler’).
Hof van Justitie EU 27 februari 2007, zaak C-355/04P, NJ 2007, 390 m.nt. Mok (Segi e.a. t. Raad).
Segi e.a. t. Raad, § 40. Segi e.a. hadden aangevoerd dat een basis voor het toekennen van schadevergoeding kon worden gevonden in art. 4 van gemeenschappelijk standpunt 2001/ 931 in combinatie met de achtste overweging van de considerans van besluit 2003/48/JBZ van de Raad van 19 december 2002 betreffende de toepassing van specifieke maatregelen op het gebied van politiële en justitiële samenwerking ter bestrijding van het terrorisme (PB 2003, L 16, blz. 68).
Overwogen wordt (in § 52 e.v.) dat een gemeenschappelijk standpunt op zich geen rechtsgevolgen heeft voor derden en in het systeem van titel VI van het EU-Verdrag in beginsel enkel kaderbesluiten en besluiten vatbaar voor een beroep tot nietigverklaring voor het Hof van Justitie, zodat er in beginsel evenmin een bevoegdheid bestaat voor het Hof om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over gemeenschappelijke standpunten. Het Hof voegt daaraan toe dat voor zover een gemeenschappelijk standpunt directe rechtsgevolgen voor derden in het leven roept, wel sprake is van ‘handelingen’ waarover een prejudiciële vraag kan worden gesteld. Door de plaatsing op de lijst behorende bij het gemeenschappelijke standpunt als een handeling met rechtsgevolgen voor derden aan te merken, is het Hof – op grond van een redelijke uitleg van art. 35 lid 1 EU-Verdrag – wel bevoegd om in het kader van een prejudiciële vraag te oordelen over de rechtmatigheid van een plaatsing op de lijst.
Voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 – met als gevolg het wegvallen van de pijler-structuur binnen de Unie – was de gemeenschapsrechter beperkt in zijn mogelijkheden de rechtmatigheid van een plaatsing op de endogene-lijst te onderzoeken.1 Een belanghebbende kon zich alleen rechtstreeks tot de gemeenschapsrechter wenden om een plaatsing op de exogene-lijst te laten toetsen op rechtmatigheid. Het Hof van Justitie had onvoldoende rechtsmacht om rechtstreeks verzoeken van (rechts)personen te ontvangen die op de endogene-lijst, behorende bij het meergenoemde gemeenschappelijke standpunt, waren geplaatst. De bevoegdheid van de gemeenschapsrechter omvatte niet de bevoegdheid een gemeenschappelijk standpunt op rechtmatigheid te toetsen. Langs de achterdeur heeft het Hof van Justitie wel getracht enige ruimte voor zichzelf te creëren in de Gestoras & Segi-zaak.2
Gestoras en Segi – twee organisaties uit Spaans Baskenland, de één met een humanitair, de ander met een sociaal-cultureel doel – waren naar hun opvatting ten onrechte op de endogene-lijst geplaatst. Gestoras en Segi verzochten eerst het Gerecht en vervolgens in hoger beroep het Hof om vast te stellen dat de plaatsing op de lijst een onrechtmatige daad betrof van de Unie jegens hen. Het Hof achtte zich noch bevoegd te oordelen over de vraag of de plaatsing op de lijst rechtmatig was, noch te oordelen over een verzoek om schadevergoeding.3
Om de mogelijkheid van adequate rechtsbescherming te bevorderen bood het Hof van Justitie een andere mogelijkheid. Hoewel het Hof zich niet bevoegd achtte te oordelen over eventuele verzoeken om schadevergoeding acht het Hof zich wel bevoegd om de rechtmatigheid van een plaatsing op de lijst te beoordelen in het kader van een prejudiciële procedure.4 De gedachte is dat een nationale rechter die zich geconfronteerd ziet met een verzoek om schadevergoeding vanwege een onterechte plaatsing op de endogene-lijst die heeft plaatsgevonden voor 1 december 2009, aan het Hof van Justitie kan vragen zich uit te laten over de rechtmatigheid van deze Unierechtelijke ‘uitvoeringshandeling’ die wordt genomen naar aanleiding van een listing.