Einde inhoudsopgave
De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht (IVOR nr. 91) 2012/7.4.12
7.4.12 De bevoegdheidsverdeling tussen het Hof van Justitie en het EHRM
mr. A.J.P. Schild, datum 06-11-2012
- Datum
06-11-2012
- Auteur
mr. A.J.P. Schild
- JCDI
JCDI:ADS391212:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 7 juli 2005, appl. nr. 45036/98, AB 2006, 273 m.nt. Barkhuysen & Van Emmerik (Bosphorus Airways t. Ierland).
Het Marty-report (Marty 2007) overweegt hierover: “73. In summary, ECtHR case-law requires some type of quasi-judicial remedy, with sufficient procedural guarantees including those detailed in Chahal, for blacklisted parties even under Article 13 ECHR. (…) 82. Bosphorus and a recent ECtHR decision, Behrami and Behrami v. France and Saramati v. France, Germany and Norway, show that the ECtHR is willing to examine whether states are responsible for fundamental human rights violations under the ECHR in cases where only“manifestly deficient”protection was afforded.”
Zoals voorzien in art. 6 lid 2 WVEU.
Een interessant punt dat op de achtergrond nog een rol speelt is de verhouding tussen het Hof van Justitie en het EHRM wat betreft grondrechtenbescherming. Zolang de Unie geen partij is bij het EHRM zijn er de facto twee hoogste rechters die kunnen toetsen aan grondrechten: het EHRM wat betreft het EVRM en het Hof van Justitie wat betreft de grondrechten die zijn opgenomen in het Handvest wanneer deze in conflict komen met het Unierecht. In de Bosphorus Airways t. Ierland uitspraak heeft het EHRM overwogen dat zolang de Unie een niveau van mensenrechtenbescherming hanteert dat minstens vergelijkbaar is met de bescherming zoals die wordt geboden door het EVRM, het EHRM niet bevoegd is.1 De vraag is echter wat het EHRM gaat doen, indien het Hof van Justitie zou nalaten de hiervoor besproken jurisprudentie van het EHRM te volgen bij de beoordeling van de materiële eisen die dienen te worden gesteld aan een procedure waarin een (rechts)persoon een listing aanvecht in de Unie.2
De kans dat het Hof dit zal nalaten acht ik niet groot. De door het Hof van Justitie en het Gerecht ingezette koers getuigt van een grote wil om tot een effectieve grondrechtenbescherming – door het afdwingen van adequate rechtsbeschermings-instrumenten – bij (de)listing-procedures te komen. Daarnaast staat in de preambule van het Handvest dat het Handvest de rechten bevestigt zoals die onder meer voortvloeien uit de jurisprudentie van het EHRM. Ten slotte lijkt het ook onvermijdelijk dat Hof van Justitie zich uiteindelijk aan deze koers van het EHRM zal moeten conformeren in het licht van de beoogde toetreding van de Unie tot het EVRM.3
Kortom, vooralsnog wijst alles erop dat het Hof van Justitie aansluiting zal zoeken bij de jurisprudentie van het EHRM waar het gaat om de beantwoording van verdere vragen omtrent de eisen die kunnen worden gesteld aan procedures waarin wordt opgekomen tegen een listing.