Einde inhoudsopgave
De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht (IVOR nr. 91) 2012/7.4.3
7.4.3 Een listing door Nederland
mr. A.J.P. Schild, datum 06-11-2012
- Datum
06-11-2012
- Auteur
mr. A.J.P. Schild
- JCDI
JCDI:ADS391210:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Indien reeds een listing op Unie- of VN-niveau heeft plaats gevonden, is het nemen van een aanwijzingsbesluit op Nederlands niveau verder zinledig geworden, nu het beoogde rechtsgevolg reeds is ingetreden.
Zie de toelichting bij de Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 1 april 2010, nr. DJZ/BR/0248-10, tot wijziging van de Sanctieregeling terrorisme 2007-II, in verband met de werkingsduur van aanwijzingsbesluiten.
Het gevolg van een aanwijzing is dat (i) alle middelen die toebehoren aan de personen en organisaties, bedoeld in het eerste lid, worden bevroren, (ii) het verboden is financiële diensten te verrichten voor of ten behoeve van de personen en organisaties, bedoeld in het eerste lid, en (iii) het verboden is aan de personen en organisaties, bedoeld in het eerste lid, rechtstreeks dan wel middellijk middelen ter beschikking te stellen.
Bezwaar, beroep op de bestuursrechter en hoger beroep op de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarnaast kan men in een verzoek om een voorlopige voorziening vragen, bijvoorbeeld om het aanwijzingsbesluit hangende de procedure te schorsen.
De toelichting bij de Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 1 april 2010, nr. DJZ/BR/0248-10, tot wijziging van de Sanctieregeling terrorisme 2007-II, in verband met de werkingsduur van aanwijzingsbesluiten vermeldt over de verhouding tussen een aanwijzing op grond van de Sanctieregeling terrorisme 2007 II en een EU-listing: “In het algemeen volgt op een Nederlandse bevriezingsmaatregel een voordracht voor EU-listing van de betrokken persoon of organisatie. De nationale bevriezingsmaatregel vormt dan (mede) de grondslag voor EU-listing. Tot dusverre was het gebruikelijk om de nationale bevriezingsmaatregel in te trekken zodra de Europese besluitvorming was afgerond. Deze intrekking, vond plaats op juridisch-technische gronden en niet wegens een gewijzigde opvatting over de betrokken personen of organisaties. Een dergelijke intrekking was erop gericht om samenloop van regels te voorkomen. De normstelling die in een nationale bevriezingsmaatregel is neergelegd–zoals het verbod om financiële diensten te verrichten–is immers dezelfde als die geldt op grond van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 (PbEG L 344) of op grond van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese Unie van 27 mei 2002 (PbEG L 193). Ongewijzigde handhaving van de nationale maatregel na plaatsing op een Europese lijst zou dan tot een doublure leiden. Om te benadrukken dat het nationale aanwijzingsbesluit–mede–de grondslag vormt voor de EU-listing zal er–anders dan overeenkomstig de tot dusverre gevolgde praktijk–voortaan van worden afgezien om een nationaal aanwijzingsbesluit in te trekken na totstandkoming van de corresponderende EU-listing. Daardoor staat buiten twijfel dat het nationaleaanwijzingsbesluit zijn betekenis behoudt als aanwijzing van betrokkenen als behorend tot de kring van personen en organisaties als bedoeld in Resolutie 1373 van de Veiligheidsraad en biedt het een aangrijpingspunt voor de behandeling van verzoeken om heroverweging door de nationale autoriteiten en voor de aanwending van nationale rechtsbeschermingsmiddelen.”
Nederland kan op basis van de Sanctiewet 1977 maatregelen nemen tegen personen en entiteiten.1 Tot 18 december 2007, de dag waarop de Sanctieregeling terrorisme 2007-II tot stand kwam, konden de tegoeden van in Nederland woonachtige of gevestigde ‘terroristen’ of ‘terroristische’ organisaties, worden bevroren door vaststelling van een ministeriële regeling, onder vermelding van de namen van de getroffen personen of organisaties in een bijlage bij de regeling.2 De wijze van handhaving bij een ministeriële regeling, een algemeen verbindend voorschrift, had tot gevolg dat betrokkenen die hun listing in rechte wilden aanvechten een civielrechtelijke actie uit onrechtmatige daad dienden in te stellen.
Sinds de invoering van de Sanctieregeling terrorisme 2007-II geldt dat afzonderlijke ‘aanwijzingsbesluiten’ worden uitgevaardigd tegen de personen of organisaties en deze niet meer in de ministeriële regeling zelf staan genoemd.3 Tegen een aanwijzingsbesluit kan een belanghebbende de reguliere bestuursrechtelijke rechtsbeschermingsinstrumenten aanwenden.4
De wetgever heeft gekozen voor het openstellen van de bestuursrechtelijke rechtsgang, aangezien deze voor betrokkenen eenvoudiger en voordeliger is en meer is toegesneden op het bestuursrechtelijke karakter van een aanwijzingsbesluit. Een nationale listing op grond van de Sanctieregeling terrorisme 2007-II (door het nemen van een aanwijzingsbesluit), zal doorgaans, op grond van het door Nederland gevoerde beleid, tevens leiden tot een listing op Unie-niveau.5