Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/2.2
2.2 De WW-duur bij de invoering van de WW 1987
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258978:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1985/86,19261, nr. 3, p. 3. In de MvT werd de koppeling tussen de leeftijd van de WW’er en de duur van de uitkering gemaakt. Dit is later gewijzigd in een koppeling naar het fictief en feitelijk arbeidsverleden. Zie voor de uitwerking daarvan de Nota naar aanleiding van het eindverslag in Kamerstukken II 1985/86,19261, nr. 15.
Dit volgde uit artikel 42 WW 1987. Wet van 6 november 1986, Stb. 1986, 566 (Kamerstukken 1985/86, 19261). Zie voor de opzet van de WW in 1987 ook: Duivenvoorden e.a., Stelselherziening sociale zekerheid 1986, p. 35.
Noordam, De Werkloosheidswet 1988, p. 84-87.
Duivenvoorden e.a., Stelselherziening sociale zekerheid 1986, p. 35.
Wet van 29 november 2017, Stb. 2017, 484 (Kamerstukken 2016/17, 34766) Artikel 42a lid 2: “Voor de toepassing van artikel 42 worden niet reeds in aanmerking genomen kalenderjaren waarin een persoon recht heeft op kinderbijslag op grond van artikel 7 van de Algemene Kinderbijslagwet of een andere gezinsbijslag als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel j, van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU 2004, L 166) voor een tot zijn huishouden behorend kind dat bij de aanvang van dat kalenderjaar de leeftijd van vijf jaar niet heeft bereikt, voor de helft gelijkgesteld met kalenderjaren waarin over 52 of meer dagen loon is ontvangen, respectievelijk over 208 of meer uren loon is ontvangen. De in de eerste zin bedoelde persoon wordt aangemerkt als verzorgend persoon.”
Kamerstukken II 1985/86, 19261, nr. 3, p. 57 (MvT WW 1987).
Kamerstukken II 1985/86, 19261, nr. 3, p. 19-22.
De uitkering die in 1987 werd ingevoerd had de volgende vorm. Er bestond recht op een half jaar loongerelateerde basisuitkering indien aan de referte-eis van 26 weken uit 12 maanden werd voldaan (wekeneis). Dit hield in dat in de 12 maanden direct voorafgaand aan de werkloosheid in 26 weken arbeid in dienstbetrekking moest zijn verricht om toegang te krijgen tot de WW-uitkering. Naast de wekeneis bestaat er ook de jareneis. De werknemer die in de vijf jaar direct voorafgaand aan de werkloosheid ten minste drie jaar een dienstbetrekking had gehad van ten minste acht uren per week, had volgens de WW 1987 recht op verlenging van die basisuitkering. Na de verlenging van de loongerelateerde uitkering, had de uitkeringsgerechtigde ook nog recht op een vervolguitkering van een jaar. Dat was een uitkering op minimumniveau. Afhankelijk van het arbeidsverleden was de maximale duur van de (basis-, loongerelateerde en vervolg-) uitkering vijf jaar.1
Artikel 42 lid 3 WW bepaalde wat onder het arbeidsverleden werd verstaan. Het kabinet had het arbeidsverleden namelijk verdeeld in een feitelijke component en een fictieve component. Het feitelijke arbeidsverleden bestond uit de tijd die in de vijf jaar voorafgaand de werkloosheid feitelijk was gewerkt.2 Dit arbeidsverleden moest worden aangetoond (aannemelijk gemaakt) met bewijsmiddelen als gegevens van de belastingdienst, het ziekenfonds, getuigschriften, loonstrookjes etc. Er werd een periode van vijf jaar aangehouden, omdat dat zou overeenkomen met de gebruikelijke periode dat huishoudelijke papieren zouden worden bewaard door particulieren. Dat dit een gebruikelijke periode zou zijn voor het bewaren van huishoudelijke papieren werd niet ondersteund met onderzoek.3
Het fictieve arbeidsverleden bestond uit de periode die lag tussen de 18e verjaardag van de werknemer en de dag gelegen vijf jaar voor het intreden van de werkloosheid. Het arbeidsverleden dat de berekening van de duur van de uitkering bepaalde was de som van het feitelijke en fictieve arbeidsverleden.4 Vanaf de 18e verjaardag kon volledig aan het arbeidsproces worden deelgenomen, zodat uitgaan van de 18e verjaardag naar het oordeel van het kabinet beter aansloot bij de praktijk.5
Het arbeidsverleden vanaf het 18e levensjaar van de werknemer tot de vijf jaar voorafgaand aan het intreden van de werkloosheid was dus volledig gebaseerd op de leeftijd van de uitkeringsgerechtigde en fictief van aard. Als bijvoorbeeld een werknemer van 40 jaar werkloos werd moest hij in de jaren vanaf zijn 35e jaar tot zijn 40e jaar feitelijk aantonen dat hij had gewerkt, maar de periode vanaf het 18e levensjaar tot en met het 35e jaar werd gekwalificeerd als een fictief arbeidsverleden van 17 jaar. Het was niet voldoende dat alleen bekend was wanneer de uitkeringsgerechtigde in de periode van vijf jaar feitelijk had gewerkt; ook de perioden van onderbreking van de arbeid die gelijkgesteld moesten worden met het verrichten van arbeid waren van belang. Hierbij kan worden gedacht aan het verzorgingsforfait. Dit houdt de periode in waarin een kind jonger dan vijf jaar wordt verzorgd. Deze periode wordt volgens de wet gelijkgesteld met een tot het arbeidsverleden behorende periode.6
Het fictieve arbeidsverleden was niet van belang voor de toetreding tot de WW; het hebben van een arbeidsverleden in jaren was toen (nog) geen referte-eis, maar een duurvoorwaarde. De duur van de WW-uitkering werd dan verlengd over een langere periode dan de ‘basis’ zes maanden. Voor verlenging van die basisuitkering moest de werknemer aan de 3-uit-5-jareneis voldoen.7 Voor toegang tot de WW moest alleen voldaan worden aan de wekeneis (26-uit-52-weken).
Bij het opstellen van de Werkloosheidswet in 1987 is het arbeidsverleden om twee redenen gekoppeld aan de duur van de uitkering. De eerste reden was dat het verschil in uitkeringsrechten tussen werklozen in de WW en in de bijstand meer gerechtvaardigd was naar mate het werknemerschap langer had geduurd.8 De tweede reden lag in de mening van het kabinet dat er een gedeelde verantwoordelijkheid van de overheid en het bedrijfsleven in het herziene stelsel van de sociale zekerheid zou moeten zijn. De primaire verantwoordelijkheid voor de inkomensbescherming door de WW moest meer bij het bedrijfsleven (sociale partners) liggen, indien de uitkeringsgerechtigde langer aan het arbeidsproces had deelgenomen.9 Het verzekeringskarakter van de WW speelt bij deze twee redenen een belangrijke rol. De werknemer met een langer arbeidsverleden heeft meer WW-premie afgedragen10 en de betreffende werkgever heeft langer kunnen genieten van de arbeid van die werknemer. De langere duur van de uitkering werd zo gerechtvaardigd, omdat de werknemer in een dienstbetrekking ook langer heeft bijgedragen aan de verzekering.
2.2.1 De keuze voor een beperkte uitkeringsduur2.2.2 De andere voorstellen voor berekening van de duur en de koppeling aan het arbeidsverleden