Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.5.3.2
I.3.5.3.2 Kanttekening 1
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS622742:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook de Inleiding en verantwoording onder III ‘Terminologie en reikwijdte’.
De vraag in hoeverre de werking van een uiterste wilsbeschikking afhankelijk kan worden gemaakt van de wil van een ander dient, zoals ik reeds opmerkte, dan ook niet beantwoord te worden aan de hand van het bepaaldheidsvereiste, maar aan de hand van de toelaatbaarheid van ‘wilsafhankelijke’ voorwaarden in het vermogensrecht, waartoe ook het erfrecht behoort. Hierover meer in hoofdstuk 6.
In HR 17 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:BI5402, BNB 1996/112 en HR 5 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:BI5838, BNB 1998/8 werd door de erflaters bij testament een ouderlijke boedelverdeling gemaakt ten behoeve van de echtgenote onder de bepaling dat de erfgenamen (de echtgenote en kinderen) in onderling overleg resp. eenstemmig een andere verdeling konden overeenkomen.
In HR 16 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8282, NJ 2004/487 (Boerenplaatsje) beschikte erflaatster als volgt: ‘(…) Ik benoem tot mijn enige en algehele erfgenaam mijn echtgenoot, onder bepaling nochtans dat al wat hij bij overlijden onvervreemd en onverteerd van mijn na te laten goederen zal overlaten zal moeten komen en worden uitgekeerd aan de kinderen van mijn broeder, tezamen en voor gelijke delen, of bij hun vooroverlijden aan hun wettige afstammelingen reeds geboren of nog geboren zullen worden.(…) Het is aan mijn genoemde echtgenoot verboden bij schenking onder de levenden over het aan hem gemaakte te beschikken, terwijl dit aan hem gemaakte niet zal vallen in enige gemeenschap van goederen, waarin hij eniger tijd mocht huwen. Hij zal echter wel bij testament over het na te melden onroerend goed mogen beschikken (curs. NB).’ Doordat aan de bezwaarde de bevoegdheid wordt verleend om bij uiterste wil over het aan hem vermaakte te beschikken, kan de bezwaarde zijn verkrijging onvoorwaardelijk maken. Hij kan met andere woorden zelf bepalen of de voorwaarde al dan niet van kracht zal zijn.
HR 17 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:BI5402, BNB 1996/112, HR 5 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:BI5838, BNB 1998/8 en HR 16 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8282, NJ 2004/487
Alvorens inhoudelijk op Breemhaars visie in te gaan, dient allereerst helder te zijn dat wilsdelegatie op twee manieren plaats kan hebben. Namelijk:1
Door te delegeren ten aanzien van de werking van de wilsbeschikking.
Door te delegeren ten aanzien van de inhoud van de wilsbeschikking.
Breemhaar lijkt dit onderscheid niet te maken wanneer hij spreekt van ‘het verbod van wilsdelegatie’. Het delegatieverbod vloeit zijns inziens namelijk voort uit het bepaaldheidsvereiste in combinatie met het hoogstpersoonlijk karakter van de uiterste wilsbeschikking. Het bepaaldheidsvereiste ziet enkel op de inhoud van de wilsbeschikking, niet op haar werking.2 Dat delegatie ten aanzien van de werking van een uiterste wilsbeschikking mogelijk is, illustreren HR 17 januari 1996, BNB 1996/112 en HR 5 november 1997, BNB 1998/8 waarin de voorwaardelijke ouderlijke boedelverdeling werd toegestaan3 en HR 16 januari 2004, NJ 2004/487, ook wel genoemd het Boerenplaatsje-arrest, waarin de voorwaardelijke tweetrapsmaking werd toegestaan.4
Kortom dat het beoogde rechtsgevolg respectievelijk onderwerp van de wilsbeschikking in voldoende mate moet zijn bepaald, zegt nog niets over de mogelijkheid om te delegeren ten aanzien van de werking van een wilsbeschikking (vgl. HR 17 januari 1996, BNB 1996/112, HR 5 november 1997, BNB 1998/8 en HR 16 januari 2004, NJ 2004/487).5 In hoeverre dit is toegestaan, dient niet te worden beoordeeld aan de hand van het bepaaldheidsvereiste, maar aan de hand van het leerstuk van voorwaardelijke beschikkingen (zie subparagraaf 3.5.2.3 en hoofdstuk 6). Breemhaars verbod van wilsdelegatie heeft dan ook enkel betrekking op delegatie ten aanzien van de inhoud van de uiterste wilsbeschikking. Maar leidt het bepaaldheidsvereiste in combinatie met de hoogstpersoonlijkheid van de uiterste wilsbeschikking wel tot een verbod om ten aanzien van de inhoud van de wilsbeschikkingen te delegeren? Hierover gaat de volgende paragraaf: ‘Kanttekening 2’.