Einde inhoudsopgave
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/6.2.2
6.2.2 Het bestuur van de CV
mr. J.E. van Nuland , datum 21-09-2020
- Datum
21-09-2020
- Auteur
mr. J.E. van Nuland
- JCDI
JCDI:ADS254421:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Tervoort 2013, p. 19 en Tervoort 2015a, p. 74; Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/74; Pitlo/Raaijmakers 2017, p. 127; Hamers & Van Vliet 2019, p. 92; Slagter/Assink 2013, p. 1937 noemt daden van beheer ‘in zekere zin “bestuurshandelingen”’.
Zie Stokkermans 2017, p. 84 en de verwijzingen aldaar.
Hamers & Van Vliet 2019, p. 92.
Hamers & Van Vliet 2019, p. 93.
Vgl. Mathey-Bal 2016, p. 42.
Pitlo/Raaijmakers 2017, p. 127 en 129.
Mohr/Meijers 2018, p. 26-27; zo ook Hamers & Van Vliet 2019, p. 93.
Stokkermans 2017, p. 83-84
Slagter/Assink 2013, p. 1937.
Tervoort 2015a, p. 74.
Vgl. Van Schilfgaarde 2017, p. 18.
Er bestaat immers geen discussie over de vraag of het de commanditaire vennoot op grond van deze bepaling verboden is om extern te handelen, zie nader paragraaf 6.3.
Niet te verwarren met het goederenrechtelijke ‘beschikken’, zie Mohr/Meijers 2018, p. 27 en Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/75; Tervoort 2015a, p. 74; Hamers & Van Vliet 2019, p. 64.
Zie voor een geval waarin het aangaan van geldleningen tot de normale bedrijfsuitoefening van een VOF werd gerekend en dus gebondenheid van de vennootschap en de vennoten tot gevolg had Rb. Maastricht 5 september 2007, ECLI:NL:RBMAA:2007:BB3201.
Zie Tervoort 2015a, p. 74-79.
Vgl. Mohr/Meijers 2018, p. 27; Pitlo/Raaijmakers 2017, p. 126; Tervoort 2015a, p. 78.
Vgl. Tervoort 2015a, p. 75; Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/77-80.
Tervoort 2015a, p. 77; Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/83, die ook de situatie beschrijven waarin de derde op de hoogte is gebracht van de uitoefening van het vetorecht. In die situatie zijn zowel de kennisgevende vennoot, alsook de overige vennoten niet aansprakelijk jegens de derde, doch wel de handelende vennoot. De handeling komt niet voor rekening van de vennootschap. Hoewel in deze opvatting de interne beheersregeling een effect heeft op de externe vertegenwoordiging, komt deze mij juist voor. Het is te vergelijken met een in het handelsregister ingeschreven beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid. De derde die voor het aangaan van een rechtshandeling weet dat deze rechtshandeling niet voor rekening van de vennootschap mag worden gebracht, zou inderdaad slechts de handelende vennoot kunnen aanspreken, vgl. in dit verband voor wat betreft vertegenwoordiging Pitlo/Raaijmakers 2017, p. 131; Hamers & Van Vliet 2019, p. 122-123; Mohr/Meijers 2018, p. 127-128; Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/137.
Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/92; evenzo Wery 2003, p. 89.
In deze zin ook Mohr/Meijers 2018, p. 110: ‘een enkele beheersbevoegdheid in de zin van art. 7A1673 e.v. BW impliceert geen vertegenwoordigingsbevoegdheid doch slechts de zekerheid van een intern regresrecht’.
Vgl. Mohr/Meijers 2018, p. 127-128; Hamers & Van Vliet 2019, p. 121.
Dus ook slechts tot gebruik ingebrachte zaken, zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 12 augustus 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:6357 met verwijzing naar HR 24 januari 1947, ECLI:NL:HR:1947:BG9451 en HR 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3876.
Evenzo Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/84; anders: Tervoort 2015a, 78 die zich beperkt tot de beherende vennoten.
Zie Tervoort 2015a, p. 77; Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/85; anders: Mohr/Meijers 2018, p. 29 die voor kosten van behoud in beginsel ook eenstemmigheid verlangen.
Vgl. voor deze uitleg Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/85.
Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/86 duidt de regeling aan als een beperking van de bestuursbevoegdheid, waarbij de wet een uitzondering maakt op de algemene beheersregeling door de toestemming van alle vennoten te verlangen.
Dergelijke goedkeuringsrechten zijn een algemeen geaccepteerd verschijnsel, zie Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/371 en Mohr/Meijers 2018, p. 154.
Zie ook Tervoort 2013, p. 62 met verwijzingen en Tervoort 2015a, p. 81; vgl. in dit verband Rb. Amsterdam 20 juli 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BX2641waarin volgens de voorzieningenrechter ook door een meerderheid van de commanditaire vennoten kon worden besloten over de schorsing van de enig beherend vennoot, zij het dat van de vereiste gewichtige reden (7A:1673 lid 2 BW) in dit geval naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake was.
Op grond van artikel 20 lid 2 WvK mag de commanditaire vennoot geen daden van beheer verrichten of in de zaken van de vennootschap werkzaam zijn. De ‘daden van beheer’ pleegt men af te korten tot het ‘beheren’ van de vennootschap. Sommige auteurs bezigen in dit verband ook de term ‘bestuur’.1 Anderen menen echter dat het begrip ‘bestuur’ meeromvattend is dan ‘beheer’ en deze begrippen dus niet inwisselbaar zijn.2
Bij gebrek aan een wettelijke definitie van het begrip beheer is niet geheel duidelijk wat daaronder moet worden verstaan. Zo hebben Hamers en Van Vliet het over ‘het zorg dragen voor de verwezenlijking van het doel van het samenwerkingsverband’3 en handelingen die ‘voortvloeien dan wel samenhangen met de dagelijkse gang van zaken in de vennootschap. Het zijn die handelingen die gelet op het vennootschappelijk doel tot de dagelijkse en normale werkzaamheden van de vennootschap behoren.’4 Van Olffen legt ook een verbinding tot het doel van de samenwerking, maar heeft het over ‘alle handelingen die, gelet op het concrete doel van de vennootschap, behoren tot haar normale maatschappelijke werkzaamheden, tot de normale exploitatie’, waarbij het concrete doel betrekking heeft op de vennootschappelijke werkzaamheid.5 De handelingen moeten daadwerkelijk tot het doel behoren.6 Raaijmakers heeft het over de ‘interne leiding (‘Geschäftsführung’) van de vennootschappelijke organisatie en haar onderneming en alles wat daartoe op grond van de overeenkomst behoort’ en beperkt dit eveneens tot het doel van de vennootschap. Hij onderscheidt dit besturen expliciet van ‘de bevoegdheid om voor en namens de vennootschap met derden te handelen (‘Vertretung’, vertegenwoordiging).7 Mohr en Meijers parafraseren de vraag hoe het bestuur van de vennootschap is geregeld daarentegen tot ‘de vraag of en in hoeverre vennoten bevoegd zijn voor de vennootschap (dat wil zeggen de gezamenlijke vennoten) te handelen’. Van beheer spreken zij ‘wanneer het handelingen betreft die de gewone “alledaagse” gang van zaken in de betrokken vennootschap met zich meebrengt. Die handelingen dus die in het licht van de doelstelling van de betrokken vennootschap tot de normale werkzaamheden behoren.’ Daartoe rekenen zij zowel rechtshandelingen als feitelijke handelingen.8 In gelijke zin duidt Stokkermans beheershandelingen aan als ‘de rechtshandelingen en feitelijke handelingen vallend binnen de normale werkzaamheden die in maatschapsverband worden uitgeoefend’. De term ‘bestuur’ reserveert hij voor het bepalen van de strategie en het verrichten van handelingen die buiten de normale bedrijfsuitoefening vallen.9 Volgens Assink wordt algemeen aangenomen dat beheer ziet ‘op – het verrichten van – alle handelingen die passen bij de normale gang van zaken in en (ondernemings-)activiteiten van de maatschap of de VOF (CV) in kwestie, zoals die zich op dagelijkse basis plegen voor te doen’.10 Tervoort rekent ten slotte tot beheren ‘slechts die handelingen die de dagelijkse leiding van de vennootschap betreffen’. Het gaat daarbij zijns inziens om ‘die categorie van bestuurshandelingen die, gelet op het doel van de vennootschap, betrekking hebben op de normale bedrijfsvoering’.11
Behalve bij Raaijmakers is in voorgaande omschrijvingen van het begrip ‘beheren’ geen onderscheid tussen intern en extern handelen te bespeuren. Handelingen die het beheer van de personenvennootschap betreffen kunnen zowel betrekking hebben op de interne organisatie, vergelijkbaar met de deelrechtsorde zoals we die kennen bij de kapitaalvennootschap,12 doch ook rechtshandelingen en feitelijke handelingen die zich tot derden richten. Uit de strekking van artikel 20 lid 2 WvK,13 waarin de term beheer eveneens wordt gebezigd, volgt mijns inziens reeds dat daaronder ook extern handelen moet worden verstaan. Van beheershandelingen moeten beschikkingshandelingen14 worden onderscheiden. Met deze laatste term worden aangeduid de handelingen die buiten de normale bedrijfsuitoefening vallen. Waar de vennoten in beginsel bevoegd zijn tot het verrichten van beheershandelingen, behoeven beschikkingshandelingen in de regel instemming van alle vennoten. Welke handelingen tot beheer respectievelijk tot beschikking moeten worden gerekend, is gelet op het onderscheidende criterium – de normale bedrijfsuitoefening – niet in algemene zin te bepalen. Het onderscheid is evenwel relevant om te bepalen welke handelingen vennoten afzonderlijk, dan wel met toestemming van de andere vennoten, ten laste van het vennootschapsvermogen kunnen brengen.15
Tot de normale bedrijfsuitoefening behoren mijns inziens die handelingen die vallen onder de normale verwezenlijking van het concrete doel, de feitelijke werkzaamheid van de vennootschap.16 Daaronder schaar ik ook de dagelijkse leiding, zonder welke verwezenlijking van dat doel niet in zicht zal kunnen komen, alsook het voeren van een administratie, het beheren van het vennootschapsvermogen en het zorg dragen voor de interne organisatie van de onderneming. Beheer wordt ook aangeduid als het operationeel management van de personenvennootschap, te onderscheiden van het strategisch en tactisch management dat tot de beschikkingshandelingen moet worden gerekend.17 Gelet op bovengenoemde essentie van de samenwerking tussen de vennoten, kan tot het beheer niet het bepalen van de strategie worden gerekend.18 De bevoegdheid dienaangaande en ter zake beschikkingshandelingen berust in beginsel bij de gezamenlijke, waaronder dus ook de commanditaire, vennoten. Het consensuele karakter van de personenvennootschap maakt dat deze uitgangspunten kunnen worden verlaten. Het staat de vennoten vrij om in de vennootschapsovereenkomst andersluidende afspraken te maken, óók voor wat betreft onderwerpen die gelet op de normale bedrijfsuitoefening tot beschikkingshandelingen moeten worden gerekend. Niettemin zal het beheer telkens indachtig het doel van de vennootschap, conform de wet, met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid en in het belang van de gezamenlijke vennoten moeten plaatsvinden.19 Behoudens een andersluidende regeling zijn alle gewone vennoten beheersbevoegd, aldus artikel 7A:1674 BW.
De wet geeft een summiere regeling over de verdeling van de beheersbevoegdheden, voor zover daarin niet bij de vennootschapsovereenkomst is voorzien (artikel 7A:1676 BW). Ten eerste zijn alle vennoten in beginsel zelfstandig bevoegd om beheersdaden te verrichten, met dien verstande echter dat iedere vennoot een voorgenomen beheershandeling kan tegenhouden. Iedere vennoot heeft een preventief vetorecht. Ook de commanditaire vennoot kan mijns inziens een veto uitspreken. Het vereiste van voorafgaand verzet brengt met zich dat het vetorecht slechts nuttig is wanneer de andere vennoten op de hoogte zijn van een ongewenste beheershandeling en die handeling tevens niet terstond moet plaatsvinden. Ik leid daaruit af dat toch enig voorafgaand overleg op zijn plaats is. Het vetorecht geldt verder slechts voor zich naar buiten manifesterende bestuurshandelingen; interne beslissingen kunnen er niet mee worden voorkomen.20 De uitoefening ervan heeft vooral een intern effect (de handeling komt wel/niet ten laste van de vennootschap); of de vennootschap na uitoefening van het vetorecht is gebonden jegens een derde betreft een kwestie van vertegenwoordiging.21 Bovendien is de uitoefening van het vetorecht onderworpen aan de redelijkheid en billijkheid en kunnen de andere vennoten onder omstandigheden een beroep doen op artikel 3:13 BW (misbruik van bevoegdheid). Van Olffen verdedigt dat deze regeling niet geldt voor de VOF, omdat hij uit de door artikel 17 WvK toegekende vertegenwoordigingsbevoegdheid voor alle vennoten ook een individuele en onbeperkte beheersbevoegdheid afleidt ten aanzien van de normale maatschappelijke werkzaamheden van de vennootschap.22 Deze bevoegdheid wordt zijns inziens niet beheerst door het 7A:1676 BW vervatte preventieve vetorecht. Dat zou betekenen dat dit vetorecht evenmin een rol speelt bij de commanditaire vennootschap. Anders dan Van Olffen meen ik echter niet dat uit de vertegenwoordigingsbevoegdheid ook per definitie een beheersbevoegdheid voortvloeit. Een externe bevoegdheid impliceert niet noodzakelijkerwijs een interne bevoegdheid.23 De gekozen bewoordingen in artikel 17 WvK geven duidelijk blijk van een regeling betreffende de vertegenwoordiging van de vennootschap. Ingeval de vennoten geen beheersregeling zijn overeengekomen gelden voor wat betreft het beheer van de CV de artikelen 7A:1673-1678 BW. Naar mijn mening kent artikel 17 WvK aan de vennoten een volledige24 vertegenwoordigingsbevoegdheid toe, terwijl tegelijkertijd geldt dat de interne beheersbevoegdheid beperkter van omvang kan zijn en door het preventieve vetorecht van artikel 7A:1676 kan worden geraakt. Indien van het vetorecht tijdig gebruik wordt gemaakt, raken de vennootschap en de vennoten weliswaar extern verbonden door de ingevolge artikel 17 WvK bevoegde vertegenwoordiging, doch zal de handelende vennoot intern verantwoording moeten afleggen ter zake het overschrijden van zijn beheersbevoegdheid.25
Terug naar de wettelijke beheersregeling: ten tweede mogen alle vennoten de aan de vennootschap ter beschikking gestelde zaken26 gebruiken voor zover dat gebruik dienstbaar is aan de verwezenlijking van het doel van de vennootschap, in overeenstemming met de normale bestemming van de desbetreffende zaak en met inachtneming van de rechten van de andere vennoten. Er bestaat mijns inziens geen aanleiding om niet-beherende vennoten van deze regeling uit te sluiten.27 Ook de commanditaire vennoot heeft een dergelijk gebruiksrecht. Alle vennoten dienen ten derde in de kosten van het behoud van deze zaken bij te dragen; het maken van dergelijke kosten kan niet met het vetorecht worden voorkomen.28 Hoewel ik de commanditaire vennoot een gebruiksrecht toedicht, acht ik hem niet gehouden bij te dragen in deze kosten: hij is slechts verplicht zijn overeengekomen inbreng te voldoen, tenzij voor wat betreft deze kosten anders is overeengekomen. Ik vat artikel 7A:1676 sub 3 BW zo op dat daaruit blijkt welke kosten in ieder geval steeds ten laste van het vennootschapsvermogen kunnen worden gebracht.29 In die uitleg past dat de commanditaire vennoot enerzijds de vennootschapszaken mag gebruiken, maar tegelijkertijd niet hoeft bij te dragen in de kosten van het behoud van die zaken, nu artikel 20 lid 3 WvK hem daarvan uitzondert. Als vierde en laatste uitgangspunt geldt dat ‘nieuwigheden’ betreffende aan de vennootschap ter beschikking gestelde onroerende zaken slechts met instemming van alle vennoten kunnen worden aangebracht. Ik meen dat daarvoor ook de instemming van de commanditaire vennoten is vereist.30
De commanditaire vennoot is uitgesloten van deelname aan het beheer als zodanig; contractuele regelingen waarbij aan deze vennoot beheersbevoegdheid wordt toegekend, al dan niet gezamenlijk met een gewone vennoot, zijn mijns inziens in strijd met artikel 20 lid 2 WvK en daarom nietig. Van geheel andere aard is de mogelijkheid dat bepaalde beheershandelingen van de gewone vennoten onderworpen kunnen zijn aan de goedkeuring van de commanditaire vennoot en zij uit hoofde daarvan diens medewerking behoeven,31 dan wel de omstandigheid dat de commanditaire vennoot intern gebruik kan maken van een vetorecht. Het gaat hierbij telkens om een passieve bevoegdheid tot beleidsbeïnvloeding; een actieve beheershandeling wordt in een dergelijk geval door de commanditaire vennoot niet verricht. Contractueel kan de bevoegdheid ter zake bepaalde aangelegenheden, de interne organisatie betreffende, ook voor zover die als daad van beschikking moeten worden aangemerkt, aan bepaalde vennoten worden toegekend. Ik zou menen dat het dan ook mogelijk moet worden geacht dat bepaalde, interne beslissingen uitsluitend door de commanditaire vennoot worden genomen. In het bijzonder denk ik dan aan de toekenning of ontneming van de bestuursbevoegdheid van een of meer gewone vennoten.32 Of en in hoeverre de commanditaire vennoot anderszins aan de beleidsbepaling binnen de CV kan deelnemen, zal ik hierna nog bespreken.