Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/7.8.3:7.8.3 Tussenconclusie
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/7.8.3
7.8.3 Tussenconclusie
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS458903:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een zeer sceptische reactie op deze herziening: Buiter 2005 (waarin gesteld wordt dat het Stabiliteits- en Groeipact ‘dood’ is, p. 11); Calmfors 2005, p. 68-70. Een gematigder oordeel is te vinden in: Buti, Eijffinger & Franco 2005. Zie ook: Baldwin & Wyplosz 2015, p. 433.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De herziening van het Stabiliteits- en Groeipact in 2005 is niet juichend ontvangen.1 Het differentiëren van de middellangetermijndoelstellingen werd gezien als een van de weinige positieve punten, aangezien hierdoor meer ruite ontstond voor flexibiliteit, wat meer recht deed aan de onderlinge economische verschillen tussen de lidstaten. Afgezien hiervan, is met name gewezen op het gevaar van de afgenomen striktheid van het Stabiliteits- en
Groeipact, onder meer door een grotere marge voor de begrotingsdoelstelling, een ruimere interpretatie van de begrippen ‘ernstige economische neergang’ en ‘andere relevante factoren’ en de verlengde termijnen voor de buitensporigtekortprocedure. De wijzigingen boden zo verre van een oplossing voor wat in de praktijk een van de grootste problemen van het Stabiliteits- en Groeipact is gebleken: de weigering van de Raad om de buitensporigtekortprocedure streng toe te passen.