Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.4.3
4.4.3 Rentefunctie en rentemaxima
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264525:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Zie naast de hieronder aangehaalde auteurs Van Wassenaer 1661, nr. 14.57; Van Leeuwen, Rooms-Hollands-Regt, nr. 4.12.5; Huber/Huber, Hedendaegse Rechts-geleertheyt, nr. 2.48.8-9; Vinnius, Quaestiones Selectae, nr. 2.7; Huber, Praelectionum juris civilis III, nr. 20.1.15. Hun opvattingen stemmen overeen met mijn uiteenzetting hieronder.
Zie over dit werk Van den Bergh 1988, p. 181-191.
Noodt, De foenore et usuris, nr. 1.2; Thomas 2007, p. 57-58.
Van Leeuwen, Rooms-Hollands-Regt, nr. 4.7.2; Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.1.3; De Groot, Inleydinge, nr. 3.10.10; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 3.10.10.
Van der Keessel, Praelectiones, nr. 3.10.10; De Blécourt 1939, p. 441-442; Zimmermann 1996, p. 174-175.
Voet, Ad Pandectas I, nr. 22.1.5.
Noodt, De foenore et usuris, nr. 2.9; Thomas 2007, p. 59.
Noodt, De foenore et usuris, nr. 2.9; Thomas 2007, p. 60-61.
Noodt, De foenore et usuris, nr. 2.9; Thomas 2007, p. 60-61.
Noodt, De foenore et usuris, nr. 2.9; Thomas 2007, p. 60-61. Zie voorts C. 4,32,14.
Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.1.24.
Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.1.24. Gesteund door Van der Keessel, Praelectiones, nr. 3.8.5.
Van de Sande, Gewysder Saecken, nr. 3.12.10.
In gelijke zin Van Wassenaer 1661, nr. 14.59; Van Leeuwen, Censura Forensis, nr. 4.8.1.
Doordat de gebruiksopbrengst bij het rentepandgebruik in de plaats kwam van een rentevergoeding, was zij onderworpen aan het wettelijke rentemaximum. De verhouding een recht van pandgebruik met rentefunctie en het rentemaximum was naar Rooms-Hollands recht dezelfde als in het Romeinse recht. In de literatuur bestond veel aandacht voor de vraag onder welke omstandigheden de gebruiksopbrengst boven het rentemaximum uit mocht komen.1
Noodt ging in op de relatie tussen pandgebruik en rente in zijn monografie De foenore et usuris.2 Ten eerste behandelde hij de vraag of de gebruiksopbrengst bij een recht van pandgebruik met rentefunctie kwalificeerde als rente. In het algemeen was rente een jaarlijks percentage van de verschuldigde hoofdsom. Zowel de hoofdsom als het rentepercentage luidde in geld. De vruchten van een object dat in pandgebruik was gegeven, bestonden vaak uit iets anders dan geld. Te denken valt aan de natuurlijke vruchten van een akker of het woongenot van een woning. Dit leidde tot de vraag of deze vruchten wel onder het rentemaximum vielen. Noodt beantwoordde deze vraag bevestigend. Rente kon volgens hem luiden in een andere grootheid dan hetgeen was uitgeleend. Een schuldeiser kon over een geldlening dus rente ontvangen die bestond uit iets anders dan geld, zoals natuurlijke vruchten of woongenot. Hieruit volgde dat iedere gebruiksopbrengst die de rentepandgebruiker verkreeg, kwalificeerde als rente. Op iedere gebruiksopbrengst uit rentepandgebruik was dus het wettelijke rentemaximum van toepassing.3
In de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden gold geen algeheel renteverbod. Slechts een onbehoorlijk hoge rente gold als woeker. In de Republiek mocht een schuldeiser maximaal de penning 16 aan rente bedingen over zijn vordering (een zestiende deel van de hoofdsom; 6,25%).4 Later werd dit maximum verlaagd tot de penning 20 (een twintigste deel van de hoofdsom; 5%).5 Als partijen een hoger rentepercentage bedongen dan het wettelijke maximum hield de rechter dit beding voor niet geschreven, voorzover het bedongen percentage uitkwam boven het wettelijke maximum.6
Volgens Noodt handelde de rentepandgebruiker ongeoorloofd als hij uit het onderpand een opbrengst genereerde die hoger was dan het wettelijke rentemaximum. Zoals het ongeoorloofd was om een geldelijk rentepercentage te bedingen dat hoger was dan het wettelijke maximum, zo was het ook ongeoorloofd een gebruiksopbrengst te innen die in (in geld uitgedrukte) waarde hoger was dan het rentemaximum. Bij een rentepandgebruik was de gebruiksopbrengst van het pandobject immers gelijk aan rente. Daarom kwam de gebruiksopbrengst in mindering op de hoofdsom voorzover die gebruiksopbrengst het rentemaximum oversteeg.7
Dit gold echter alleen indien vaststond dat de gebruiksopbrengst kennelijk meer bedroeg dan het rentemaximum. Met andere woorden: indien onzeker was of de gebruiksopbrengst meer bedroeg dan het rentemaximum hoefde de pandgebruiker niets in mindering te brengen op de hoofdsom.8
Van een onzekere gebruiksopbrengst was sprake indien de jaarlijkse gebruiksopbrengst van het pandobject fluctueerde. Zo kon de gebruiksopbrengst uit een verpande boerderij nu eens hoger zijn dan het rentemaximum, dan weer lager. De pandgebruiker kon dan in één jaar een relatief hoge opbrengst realiseren die boven het rentemaximum uitkwam. Hij liep echter ook het risico dat hij het jaar erop een veel lagere opbrengst zou verkrijgen die onder het rentemaximum lag. Dit rechtvaardigde dat de pandgebruiker een opbrengst die hoger was dan het rentemaximum integraal mocht houden als rentevergoeding en niets in mindering hoefde te brengen op de hoofdsom.9
Hetzelfde gold ingeval de gebruiksopbrengst van het onderpand niet in geld was uitgedrukt, en niet achteraf kon worden vastgesteld. Hier gold het voorbeeld van de uitoefening van het recht van pandgebruik door bewoning. Omdat de gebruiksopbrengst niet in geld was uitgedrukt, was zij onzeker. Wie een recht van pandgebruik uitoefende door bewoning hoefde dan ook niets van de gebruikswaarde die deze bewoning opleverde in mindering te brengen op de hoofdsom.10
Ook Voet11 maakte voor het recht van pandgebruik met rentefunctie onderscheid tussen zekere en onzekere gebruiksopbrengsten. Onder verwijzing naar C. 4,32,14 en C. 4,32,17 stelde hij dat als de gebruiksopbrengst van het onderpand zeker was, zij in mindering behoorde te komen op de hoofdsom voor zover zij het rentemaximum oversteeg. Dit deed zich bijvoorbeeld voor bij uitoefening van het recht van pandgebruik op een onroerende zaak die was verhuurd. Daarnaast dacht hij aan een recht van pandgebruik op een rentedragende vordering. De waarde van de vruchten van de vordering, de rente, stond dan immers vast.
Vloeide uit het onderpand echter een onzekere gebruiksopbrengst voort, dan hoefde de pandgebruiker niets in mindering te brengen op de hoofdsom als de gebruiksopbrengst (incidenteel) hoger uitviel dan het rentemaximum. Net als Noodt verwees Voet hier naar de voorbeelden van de uitoefening van een recht van pandgebruik door bewoning en de uitoefening van een recht van pandgebruik op een akker.12
Het onderscheid tussen een zekere en een onzekere gebruiksopbrengst kwam voorts aan de orde in een sententie van het Hof van Friesland, gerapporteerd door Van de Sande. In deze zaak leende Titius geld van Gaius. Tot zekerheid van deze geldlening verpandde Titius een stuk grond aan Gaius. Bij de pandovereenkomst voegden partijen een beding van pandgebruik:
“dat Gaius die Landen voor de Renten soude ghebruycken ende ghenieten.”
Gaius verhuurde de grond aan een derde. De huur die Gaius verkreeg van de derde was hoger dan het bedrag dat hij op grond van de wet aan rente mocht innen. Titius stelde dat Gaius gehouden was om hetgeen de wettige maat van interessen te boven ging, in mindering te brengen op de hoofdsom. Gaius was van mening dat sprake was van een uitdrukkelijke antichresis. Dit bracht volgens Gaius mee, dat de vruchtopbrengst wel boven het rentemaximum uit mocht komen. Het hof besliste in het voordeel van Titius. Enkel als de verpande goederen een onzekere vruchtopbrengst kenden, mocht de vruchtopbrengst het rentemaximum te boven gaan.
“Het Hoff heeft ten profyte van de Debiteur Titius de Sententie uytghesproocken, want nadien alleen de onseeckerheyt van de vruchten het Antichrestische Contract ofte conventie staende hout, op dat niets tot bedroch van de wettighe Interessen mach schynen ghedaen te zijn; so ist immers reden ende oock binlijck, dat, so de Crediteur op eenigherley manier een seeckere opcomste uyt de Verhuyringhe crijcht, hy als dan teghens de Wet doet, voor so veel de opcomste de wettighe Renten ofte Interessen te boven sal gaen.”13
Het voorgaande laat zien dat de gebruiksopbrengst bij een recht van pandgebruik met rentefunctie gelijk werd gesteld aan rente over de vordering waarvoor het recht van pandgebruik was gevestigd. Op deze gebruiksopbrengst was dan ook het wettelijke rentemaximum van toepassing. Als de gebruiksopbrengst hoger was dan het wettelijke rentemaximum kon sprake zijn van woeker. Dit was afhankelijk van het antwoord op de vraag of de gebruiksopbrengst die uit het onderpand voortvloeide een zekere gebruiksopbrengst was, of een onzekere. Woeker deed zich alleen voor als sprake was van een zekere gebruiksopbrengst, niet als sprake was van een onzekere gebruiksopbrengst.
Van een zekere gebruiksopbrengst was sprake indien de gebruiksopbrengst van het onderpand in geld was uitgedrukt en deze opbrengst constant was. Een onzekere gebruiksopbrengst deed zich voor als de gebruiksopbrengst van het onderpand naar haar aard fluctueerde of niet in geld was uitgedrukt. Hoewel een onzekere gebruiksopbrengst in beginsel niet woekerachtig was, was waarschijnlijk toch sprake van woeker als deze onzekere gebruiksopbrengst vooraf kennelijk meer bedroeg dan het rentemaximum. In dat geval diende de pandgebruiker de gebruiksopbrengst die boven het rentemaximum uitkwam in mindering te brengen op de hoofdsom. Als het ging om een onzekere gebruiksopbrengst waarvan niet duidelijk was of zij boven het onderpand uitging, behoefde de pandgebruiker niets op de hoofdsom in mindering te brengen.14