Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.3.6.3
IV.3.6.3 Systeem der wet
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460266:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Timmerman 2016b, p. 324. In dezelfde zin: Assink 2013a, nr. 16 en 17. Over de invoering van de business judgment rule schrijft hij het volgende: “Want dát het ‘kan’ staat als gezegd buiten kijf; het is, zoals wel vaker in het (ondernemings)recht, uiteindelijk een kwestie van willen.”
Zie hierover uitvoerig Westenbroek 2017, par. 2.3 en 2.4.
Denk hierbij bijvoorbeeld aan de rechtspositivistische benadering van het recht waarin een ‘rule of recognition’ wordt gehanteerd om een rechtsoordeel te herleiden tot een democratisch gelegitimeerde regel. Zie bijvoorbeeld: Hart (1961) 1994 of Kelsen (1960) 1967. Of denk aan Dworkins theorie van ‘Law as integrity’, waarbij het recht door constructieve interpretatie vorm krijgt: Dworkin 1986. Ook kan worden gedacht aan Weinribs aansprekende intrinsieke en formalistische benadering van het aansprakelijkheidsrecht: Weinrib 2012. Het standpunt dat een rechtsoordeel moet worden gebaseerd op het recht bedoel ik in normatieve zin; dit laat onverlet dat er stromingen bestaan – zoals het rechtsrealisme – waarin de empirische stelling wordt verdedigd dat niet het recht maar de menselijke psyche doorslaggevend is voor een rechterlijk oordeel. Zie bijvoorbeeld Frank (1930) 1949. Deze rechtsrealistische stelling is echter niet prescriptief maar descriptief, en daarom vindt de opvatting van het recht als willenschap ook geen steun in deze stromingen.
Zie daaromtrent bijvoorbeeld Van Klink, De Vries & Bleeker 2017 en Mak 2017.
Zie over de verschillende interpretatie- en redeneermethoden voor rechtstheoretische toetsing par. 2.4 van Westenbroek 2017.
Daarover Westenbroek 2017, par. 2.3.2.
Zie hierboven par. IV.2.2.3 onder het kopje ‘Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW’ sub ‘vestigingsfase’ en hierna uitvoerig par. IV.5.
HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015/22, m.nt. Van Schilfgaarde (RCI Financial Services), r.o. 4.2; HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628 (concl. A-G Wesseling-van Gent), NJ 2015/21, m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2014/296, m.nt. Kroeze (Hezemans Air), r.o. 3.5.2.
HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5881 (concl. A-G Timmerman), NJ 2013/302, m.nt. Van Schilfgaarde (Spaanse Villa), r.o. 3.4.2.
Dit blijkt uit HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2930, JOR 2014/297, m.nt. Kroeze (Pommé), r.o. 4.5.3 Zie hieromtrent ook Westenbroek 2017, par. 10.5.4.7 en 10.5.6.
Hiervoor heb ik betoogd dat er interne kritiek mogelijk is op de geen-doctrine-maar-beginselen-benadering van Timmerman. Nog problematischer vind ik de duiding van het recht als een ‘willenschap’,1 mijns inziens strookt dit niet met de eisen die het systeem der wet en de beginselen van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid stellen aan rechtsvinding en rechtsvorming.2
Het debat ten aanzien van fundamentele vragen zoals ‘wat is recht?’ en ‘welke methoden van rechtsvinding zijn geoorloofd?’ is vermoedelijk al zo oud als het recht zelf. Dat debat is nooit finaal beslecht en dat zal vermoedelijk ook nooit gebeuren. Maar welke stroming van de rechtstheorie ook wordt gevolgd; geen rechtsfilosoof zal in normatieve zin beweren dat de rechter een juridisch oordeel op zijn eigen wil in plaats van op het recht mag baseren.3 De rechter ontleent immers niet zijn gezag aan zijn persoonlijke opvattingen over de samenleving, economie of menselijke psyche. Juristen zijn immers – hoe T-vormig ook4 – niet opgeleid om hierover te oordelen. Nee: de rechter ontleent zijn gezag aan het recht, omdat hij zijn oordeel baseert op democratisch gelegitimeerde regels die voor iedereen gelijkelijk gelden.
Natuurlijk, er zijn onduidelijkheden en soms zijn verschillende interpretaties van een bepaalde wetstekst mogelijk; maar dit gegeven mag niet leiden tot de conclusie dat recht een willenschap is. Rechtsinterpretatie is niet vrijblijvend: er zijn spelregels. Zeker wanneer een wetstekst of het systeem der wet klip en klaar is, is er geen of zeer beperkt de ruimte voor de rechter om af te wijken.5 De ‘regter’ is immers op grond van artikel 11 Wet Algemene Bepalingen verplicht ‘volgens de wet regt te spreken’.6
Een voorbeeld van een ondubbelzinnig gegeven in ons systeem der wet, betreft de samenstelling van de constitutieve vereisten voor een vordering tot schadevergoeding. De wetgever heeft in artikel 6:162 lid 1 BW bepaald dat “hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht [is] de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.” Uit dit artikel kunnen de regels worden gedestilleerd die gelden voor de onrechtmatige daad.7 Over de invulling van een specifieke regel kan worden gediscussieerd, maar onder aansprakelijkheidsjuristen bestaat overeenstemming dat de vereisten die voortvloeien uit artikel 6:162 BW cumulatief en limitatief zijn. Oftewel, iemand is pas aansprakelijk op grond van de onrechtmatige daad wanneer álle vereisten van artikel 6:162 BW zijn vervuld, en vice versa is voor aansprakelijkheid ook niet méér nodig dan dat. Zonder tussenkomst van de wetgever mogen er geen aan de onrechtmatige daad wezensvreemde aanvullende aansprakelijkheidsdrempels worden geïntroduceerd, zoals de ernstig verwijt-maatstaf.
De vereisten die voortvloeien uit artikel 6:162 BW gelden in beginsel voor iedereen. Voor de zeldzame gevallen waarin de wetgever ervoor kiest om af te wijken van de vereisten van artikel 6:162 BW met het doel de persoonlijke aansprakelijkheid van een bepaalde groep te beperken, wordt een lex specialis in het leven geroepen.
Bijvoorbeeld, artikel 6:164 BW bepaalt dat een onrechtmatige gedraging van een kind jonger dan veertien jaar oud, niet aan hem kan worden toegerekend. Dit artikel doorkruist dus de toerekeningsregeling van artikel 6:162 lid 3 BW. Dat betekent dat als een kind van onder de veertien schade veroorzaakt aan een derde, het kind niet hoofdelijk aansprakelijk is; de schade kan uitsluitend worden verhaald op de ouders van het kind, die op grond van artikel 6:169 risicoaansprakelijk zijn.8
Voor bestuurders bestaat een dergelijke wettelijke uitzonderingspositie niet. Daarom kan de rechter mijns inziens niet zomaar bepalen dat voor de bestuurder ‘hogere eisen dan in het algemeen het geval is’9 of dat in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid niet de ‘gewone vereisten van de onrechtmatige daad’ gelden,10 en dat de bestuurder pas aansprakelijk is voor het plegen van een toerekenbare onrechtmatige daad wanneer deze aanvullend nog een ernstig verwijt treft.11 Bij gebrek aan een wettelijke uitzonderingsgrond, heeft de uitzonderingspositie van bestuurders op zijn minst een overtuigende en steekhoudend juridische onderbouwing nodig. De dogmatisch gezien zwakke positie van de ernstig verwijt-doctrine kan niet worden gerepareerd met een beroep op rechtspolitieke argumenten.
Het voorgaande leidt mijns inziens tot de conclusie dat het systeem der wet geen ruimte laat voor de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf over de gehele linie van het bestuurdersaansprakelijkheid.