Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.3.6.1
IV.3.6.1 Inleiding
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460258:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Timmerman 2016b, p. 324-325.
Timmerman was hoogleraar ondernemingsrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen en later aan Universiteit Leiden, hoogleraar grondslagen van het recht bij de universiteit aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, en advocaat-generaal bij de Hoge Raad.
Zie bijvoorbeeld Stolp 2013, par. 5. Ook Assink lijkt te menen dat de toepassing en nadere invulling van de ernstig verwijt-maatstaf een rechtspolitieke kwestie is. Hij schrijft dat hij hoopt dat in de discussie over invoering de business judgment rule in het kader van artikel 2:9 BW de nadruk komt te liggen op de rechtspolitieke wenselijkheid daarvan, en dat deze discussie niet wordt belemmerd door de vraag of zoiets “juridisch technisch wel ‘kan’”; Assink 2013a, nr. 16 en 17. Verder schrijft Tjittes dat de invulling van de voorwaarden die worden verbonden aan de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf een rechtspolitieke keuze is; Tjittes 2017, par. 2. Hij komt overigens tot de conclusie dat er “geen goede (rechtspolitieke) reden [bestaat] om een verzwaarde aansprakelijkheidsmaatstaf aan te nemen voor externe bestuurdersaansprakelijkheid.” [toevoeging TRB].
Tot zover heb ik betoogd dat de ernstig verwijt-doctrine zowel praktisch, theoretisch als normatief ernstige mankementen vertoont en dat de eerder besproken argumenten die worden gebruikt door voorstanders van de ernstig verwijt-doctrine niet kunnen rechtvaardigen dat in het kader van externe bestuurdersaansprakelijkheid wordt afgeweken van de gewone vereisten van artikel 6:162 BW. Mag de rechter desalniettemin ervoor kiezen om de ernstig verwijt-maatstaf ook toe te passen bij de beoordeling van de persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders jegens derden op grond van onrechtmatige daad?
Timmerman meent dat de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf over de gehele linie van bestuurdersaansprakelijkheid een “volstrekt legitieme rechtspolitieke keuze [is], ook al verschillen art. 2:9 BW en art. 6:162 BW in karakter”. Dit standpunt hangt samen met de manier waarop Timmerman naar het ondernemingsrecht kijkt: hij ziet het recht als een ‘willenschap’. Hij geeft naar eigen zeggen de voorkeur aan ‘beginselen’ boven doctrine, en hij meent dat de ernstig verwijt-maatstaf een ‘beginsel van het bestuurdersaansprakelijkheidsrecht’ is.1 Deze opvattingen van Timmerman kunnen niet zomaar van de hand worden gewezen. Vino Timmerman is een eminent jurist die een duidelijke stempel heeft gedrukt op het bestuurdersaansprakelijkheidsrecht.2 Bovendien zijn er ook andere auteurs die menen dat het toepassen van de ernstig verwijt-maatstaf of de nadere invulling van deze maatstaf een rechtspolitieke keuze is.3 Daarom zal ik in deze paragraaf ingaan op de rechtspolitieke ruimte die de rechter heeft in het kader van externe bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad. Bij de bespreking van dit argument komen de inzichten uit eerdere subparagrafen samen, daarom is dit een mooie opmaat naar de afweging die ik maak in paragraaf IV.4; daar beantwoord ik de vraag of – gelet op de gebezigde argumenten – de aanvullende bescherming tegen persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders is gerechtvaardigd.
Hierna ga ik eerst in op de opvatting van Timmerman dat de ernstig verwijtmaatstaf een beginsel van het bestuurdersaansprakelijkheidsrecht is (par. IV.3.6.2). Vervolgens belicht ik de rechtspolitieke ruimte die de rechter toekomt in het kader van (bestuurders)aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad. Ik wijs erop dat de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf niet past in het systeem der wet (par. IV.3.6.3), en dat ook de beginselen van rechtsgelijkheid (par. IV.3.6.4) en rechtszekerheid (par. IV.3.6.5) zich verzetten tegen de toepassing van deze uit artikel 2:9 BW-afkomstige maatstaf. Daarom meen ik dat de rechter niet de rechtspolitieke ruimte heeft om een afwijkend, restrictief aansprakelijkheidsregime toe te passen voor bestuurders. Maar ook al was die rechtspolitieke ruimte er wel geweest, dan is er mijns inziens nog steeds geen sprake van een rechtspolitiek legitieme keuze: het transplanteren van de ernstig verwijt-maatstaf naar de onrechtmatige daad is volgens mij ook rechtspolitiek gezien onwenselijk (IV.3.6.6). Een beroep op het draagvlak voor de ernstig verwijt-doctrine kan niet tot een andere conclusie leiden (par. IV.3.6.7).