Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.7.3.2
7.7.3.2 Beperking of afschaffing optieregeling
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291577:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 3 december 1998, zaak C-381/97, BNB 1999/29, m.nt. Van Hilten, r.o. 27 (Belgocodex) en HvJ EG 29 april 2004 gevoegde zaken C-487/01 en C-7/02, BNB 2004/260, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 48 (Gemeente Leusden/Holin Groep).
HvJ EG 3 december 1998, zaak C-381/97, BNB 1999/29, m.nt. Van Hilten, r.o. 26 (Belgocodex).
M.R.T. Pauwels, Terugwerkende kracht van belastingwetgeving: gewikt en gewogen (diss.), Amersfoort: Sdu Uitgevers 2009, p. 443.
M.R.T. Pauwels, Terugwerkende kracht van belastingwetgeving: gewikt en gewogen (diss.), Amersfoort: Sdu Uitgevers 2009, p. 443.
HvJ EG 26 april 2005, zaak C-376/02, BNB 2008/36, m.nt. Bijl, r.o. 33 (Stichting Goed Wonen II).
HvJ EG 26 april 2005, zaak C-376/02, BNB 2008/36, m.nt. Bijl, r.o. 39 (Stichting Goed Wonen II).
HvJ EG 26 april 2005, zaak C-376/02, BNB 2008/36, m.nt. Bijl, r.o. 43 (Stichting Goed Wonen II).
HvJ EG 29 april 2004 gevoegde zaken C-487/01 en C-7/02, BNB 2004/260, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 77 (Gemeente Leusden/Holin Groep).
HvJ EG 29 april 2004 gevoegde zaken C-487/01 en C-7/02, BNB 2004/260, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 77 (Gemeente Leusden/Holin Groep). Zie hierover nader: M.R.T. Pauwels, Terugwerkende kracht van belastingwetgeving: gewikt en gewogen (diss.), Amersfoort: Sdu Uitgevers 2009, p. 462-463.
Lidstaten hebben niet alleen de vrijheid om de optieregeling in te voeren, maar zijn ook vrij om deze regeling na invoering weer af te schaffen.1 Daarnaast kan een lidstaat de voorwaarden voor de optie voor belaste verhuur wijzigen waardoor de mogelijkheid om te opteren voor belaste verhuur van onroerend goed wordt beperkt. Het beperken of afschaffen van de optieregeling mag echter niet in strijd zijn met het unierechtelijke vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel.2 Dit betekent dat een lidstaat aan de beperking of afschaffing van de optieregeling geen terugwerkende kracht mag verlenen, tenzij:
het verlenen van deze terugwerkende voor een doel van algemeen belang noodzakelijk is (de noodzakelijkheidsvoorwaarde3); en
het rechtmatig vertrouwen van de betrokkenen naar behoren in acht wordt genomen (de voorwaarde van niet-schending van het vertrouwensbeginsel4).5
Het voorkomen van btw-besparende constructies op grote schaal kan een doel van algemeen belang zijn die het verlenen van terugwerkende kracht aan de beperking of afschaffing van de optieregeling rechtvaardigt. Het is echter aan de nationale rechter om te beoordelen of het risico op deze constructies voldoende groot is om de terugwerkende kracht te rechtvaardigen.6 De voorwaarde van niet-schending van het vertrouwensbeginsel houdt in dat belastingplichtigen die de verhuurhandelingen verrichten van de komende vaststelling van de beperking of afschaffing van de optieregeling en de voorgenomen terugwerkende kracht op een zodanige wijze op de hoogte zijn gesteld dat zij in staat zijn te begrijpen welke gevolgen de voorgenomen afschaffing of beperking van de optieregeling voor hun handelingen heeft. Bij deze beoordeling moet de nationale rechter rekening houden met de informatiemethoden die in de betreffende lidstaat normaliter bij wetswijzigingen worden gebruikt en met de omstandigheden van het geval.7 Van rechtmatig vertrouwen is geen sprake indien handhaving van de (oude) optieregeling leidt tot misbruik van recht of btw-fraude.8 Uit het Gemeente Leusden/Holin Groep-arrest is af te leiden dat de noodzakelijkheidsvoorwaarde en de voorwaarde van niet-schending van het vertrouwensbeginsel niet alleen gelden bij het met terugwerkende kracht afschaffen of beperken van de optieregeling voor de verhuur van onroerend goed, maar ook bij de onmiddellijke werking van een beperking of afschaffing van de optieregeling voor de verhuur van onroerend goed (lees: het ontbreken van een overgangsregeling).9