Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/6.9:6.9 Jurisprudentie aangaande art. 2:387, vierde lid, Burgerlijk Wetboek
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/6.9
6.9 Jurisprudentie aangaande art. 2:387, vierde lid, Burgerlijk Wetboek
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS349178:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam 3 april 1980, nr. 383/ 76 OK, NJ 1981/35 met noot van J.M.M. Maeijer.
Losbladige editie Rechtspersonen, Kluwer, aantekening 37, supplement 81, november 1988.
Hof Amsterdam 12 oktober 1989, nr. 86/113 OK, FED 1989/ 708.
T.a.p., blz. 304.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De jurisprudentie van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam aangaande waardering van een activum ten behoeve van de civielrechtelijke jaarrekening op bedrijfswaarde is schaars. Toch geven twee arresten uit 1980 en 1989 de bovengenoemde problematiek omtrent de duurzaamheid van de waardevermindering en de wijze van bepaling van de bedrijfswaarde helder weer.
Hof Amsterdam 3 apri119801
Deze procedure welke is aangespannen door de Stichting Onderzoek Bedrijfs Informatie Sobi te Amsterdam tegen Ultramarco BV te Rotterdam (onderdeel van de Holland-Amerika Lijn) heeft betrekking op de in de ogen van Sobi ten onrechte plaats gevonden hebbende afwaardering op lagere bedrijfswaarde van zeeschepen die door verweerder worden ingezet op de Holland-Amerika Lijn, te weten de Veendam en de Volendam.
Het Hof overweegt onder meer als volgt:
`Gesteld noch gebleken is dat deze waarderingsgrondslag niet voldoet aan normen die in het maatschappelijke verkeer als aanvaardbaar dienen te worden beschouwd. Voor de bepaling van de bedrijfswaarde — de indirecte opbrengstwaarde — zijn in het bijzonder van belang de bedrijfsresultaten die in de toekomst met de exploitatie van het desbetreffende schip kunnen worden behaald. De beoordeling of deze bedrijfsresultaten zodanig zullen zijn dat voor een verlaging van de boekwaarde al dan niet reden is, komt in eerste instantie aan de ondernemingsleiding toe. Indien de bevoegde organen van de rechtspersoon deze visie van de ondernemingsleiding delen, heeft een belanghebbende in een jaarrekeningprocedure zich daarbij in het algemeen neer te leggen.'
Volgens Maeijer komt aan de ondernemingsleiding in eerste instantie de bevoegdheid toe om te beoordelen of de bedrijfsresultaten die in de toekomst met de exploitatie van het desbetreffende schip kunnen worden gehaald, zodanig zullen zijn dat voor een verlaging van de boekwaarde al dan niet reden is. De Ondernemingskamer voegt aan deze overweging toe dat de accountant de uitgangspunten waarop in casu het oordeel van de ondernemingsleiding berust, niet onjuist bevonden heeft. IJsselmuiden vraagt zich af2 of de beslissing (toen gold Titel 6 nog) thans nog als juist kan worden aangemerkt. Door de bedrijfswaarde gelijk te stellen aan de indirecte opbrengstwaarde maakt gedaagde de balanswaardering afhankelijk van toekomstige exploitatieresultaten van het schip terwijl de waardering van activa nu juist behoort te geschieden ter bepaling van het resultaat. Naar huidig recht is het door gedaagde toegepaste stelsel zijns inziens niet alleen in strijd met maatschappelijk aanvaardbare beginselen maar ook met art. 2:387, vierde lid, Burgerlijk Wetboek.
Hof Amsterdam 12 oktober 19893
Deze procedure heeft betrekking op de afwaardering van onroerende zaken (kaashallen) in de commerciële jaarrekening tot op bedrijfswaarde. Door de gedaagde (Jongeneel Beheer BV) is een taxatierapport overlegd waarin uitgegaan wordt van de actuele waarde op basis van de vervangingswaarde als waarderingsgrondslag. Gedaagde stelt dat er sprake is van een duurzame waardevermindering die in een lagere onderhandse verkoopwaarde tot uitdrukking komt.
De Ondernemingskamer overweegt als volgt: 'Dit standpunt moet echter worden verworpen op grond dat in een going concern als waarvan hier met betrekking tot de onderneming van gedaagde sprake is de onderhandse verkoopwaarde voor de waardering betekenis mist. Nu gesteld noch gebleken is dat de verwachte toekomstige (technische of economische) gebruiksduur van het onroerend goed onjuist is geschat zou tot een vermindering als hiervoor bedoeld slechts aanleiding zijn indien een gelijkwaardig actief per eind 1984 voor een, noemenswaard, lager bedrag dan de oorspronkelijke verkrijgingsprijs zou kunnen worden verkregen. Dit nu is onaannemelijk aangezien vaststaat dat de verkrijgingsprijs in 1981 rond f 3 670 000 beliep en uit het deskundigenrapport blijkt dat die prijs per ultimo 1984 op f 3 790 000 moet worden geschat. Een en ander leidt er toe dat een bevel zal worden gegeven omtrent de wijze waarop de jaarrekening moet worden ingericht.'
Conclusie: De Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam stelt duidelijk dat afwaardering op opbrengstwaarde niet aan de orde is nu de onroerende zaak bestemd blijft voor de bedrijfsuitoefening. Daarentegen lijkt afwaardering tot op lagere vervangingswaarde in beginsel wel mogelijk te zijn. Hoogendoorn4 verwijst naar de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving. Waardering op lagere bedrijfswaarde behoort op basis daarvan ook tot de mogelijkheden.
Maar bedrijfswaarde is slechts onder zeer specifieke omstandigheden gelijk te stellen met de directe opbrengstwaarde bijvoorbeeld als er sprake is van zelfstandige vruchtdragers. Dit volgt uit de fiscale jurisprudentie.