Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/14.3.2.3.2
14.3.2.3.2 Verkoop aan APV tegen schuldigerkenning
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232758:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook paragraaf 14.3.2.2 hiervoor.
Zie nader paragraaf 14.3.9, ook voor aanvullende voorbeelden.
Op grond van artikel 4.15 lid 1 Wet IB 2001. Voor bevestigende beantwoording van de vraag of de financieringskosten in verband met de aankoop van de aanmerkelijkbelangaandelen wel gezien kunnen worden als kosten voor de verwerving van de reguliere voordelen (in plaats van niet aftrekbare kosten voor de verwerving van de bron) zie E. Aardema, Rente vanuit juridisch en economisch opzicht benaderd, MBB 1991/11-12, paragraaf 3, Rijkers en Van Dijck, 2000, pagina 107 en Blokland, 1999, pagina 135 – 136.
In vergelijkbare zin Boer, dissertatie 2011, paragraaf 9.5.3.1.
Een bijzondere situatie waarin een schuldverhouding tussen het APV en de inbrenger ontstaat, is die waarin het APV een vermogensbestanddeel van de inbrenger koopt en vervolgens de koopsom schuldig blijft. Uitgaande van een zakelijke koopsom is sprake van het afzonderen van vermogen in de zin van artikel 2.14a lid 3 sub b Wet IB 2001 en wordt het verkochte vermogensbestanddeel toegerekend aan de inbrenger. Fiscaal wordt geen vervreemding in aanmerking genomen.1
Daarnaast zijn zowel de vordering van de inbrenger op het APV als de schuld van het APV aan de inbrenger voor inkomstenbelastingdoeleinden in handen van de inbrenger, de schuld op grond van de toerekening. Het is dan de vraag wat het fiscale gevolg van deze situatie is. Het lijkt wellicht logisch om dan uit te gaan van een soort fiscale “vermenging”, als gevolg waarvan zowel vordering als schuld in fiscale zin teniet zijn gegaan. Dit gevolg doet zich evenwel slechts voor in geval van fiscale transparantie, terwijl naar mijn mening bij de APV-regeling sprake is van toerekening. Het effect hiervan wordt onder meer zichtbaar indien het gekochte vermogensbestanddeel in box 2 valt.2
Als geabstraheerd wordt van de APV-regeling en men kijkt naar een belastingplichtige die met geleend geld een aanmerkelijk belang koopt, dan valt de desbetreffende schuld in box 2 en is de betaalde rente in box 2 aftrekbaar.3 Ik zie niet in waarom de kwalificatie van deze schuld en rente anders zou worden op het moment dat de inbrenger niet langer civielrechtelijk eigenaar van de aandelen is, maar deze in plaats daarvan in fiscale zin krijgt toegerekend. De APV-regeling beoogt bovendien om ingebracht vermogen op dezelfde wijze te behandelen als niet ingebracht vermogen en dit impliceert dat de kwalificatie van een bezitting of schuld binnen het boxensysteem geen wijziging kan ondergaan (zo kan bijvoorbeeld ook de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in voorkomend geval worden toegepast). Mijns inziens is de fiscale consequentie van de verkoop van de aandelen tegen schuldigerkenning van de koopsom derhalve dat de inbrenger de rente op de schuld kan aftrekken in box 2, terwijl de corresponderende vordering belast is in box 3.4