Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/6.2.8
6.2.8 Navorderingsvergrijpboete aanslagbelastingen (art. 67e AWR)
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940486:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover nader paragraaf 6.2.2.
Zie voor deze verplichting art. 6 lid 3 AWR juncto art. 2 UR AWR. Zie voor een voorbeeld waarin deze omstandigheid een grote rol speelde in de onderbouwing van de boete Hof Amsterdam 14 juni 2022, V-N 2022/42.21, r.o. 7 (medeplegen van of feitelijk leidinggeven aan art. 67e AWR, boete vernietigd). Zie ook de voorafgaande uitspraak van Rb Noord-Holland 10 juni 2021, V-N 2021/33.14, o.a. r.o. 53-57, 65-67 en 130.
Zie voor een voorbeeld de casus uit Rb Gelderland 1 juni 2021, V-N 2021/35.13, r.o. 19-28. De belastingplichtige in kwestie had verzuimd de bijtelling voor de auto van de zaak aan te geven, omdat binnen de VOF was afgesproken dat de medevennoot de bijtelling zou aangeven. Dat laatste was echter niet (volledig) gebeurd. De inspecteur verklaarde dat hij, als de bijtelling wél volledig zou zijn aangegeven door de medevennoot, afgezien zou hebben van navordering bij de belastingplichtige in kwestie omdat er dan geen financieel belang voor de schatkist zou zijn geweest. Dat de aangifte van de belastingplichtige dan nog steeds onjuist zou zijn geweest, maakte niet uit. De rechtbank oordeelde uiteindelijk dat er geen sprake was van grove schuld. Uit de vaststaande feiten en de redengevende omstandigheden kan echter (ook) worden afgeleid dat er (per saldo) niet te weinig belasting is geheven, zodat zou kunnen worden beargumenteerd dat de boetegrondslag in letterlijke zin (door het neutrale ‘is geheven’) op macroniveau beschouwd, ontbrak.
Zie paragraaf 6.2.7.
Bestanddelen
Deze vergrijpboete kan worden opgelegd in verband met de vaststelling van een navorderingsaanslag. De gronden voor het opleggen van de navorderingsvergrijpboete zijn tamelijk ruim geformuleerd. De boete is niet gekoppeld aan fouten in de aangifte, maar knoopt meer in het algemeen aan bij omstandigheden die tot een te lage aanslag of een te lage belastingheffing hebben geleid. Om de vergrijpboete van art. 67e AWR te kunnen opleggen, moet worden bewezen dat:
de (definitieve) aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel
anderszins te weinig belasting is geheven.
Uiteraard kunnen onjuistheden of onvolledigheden in de aangifte leiden tot het opleggen van een te lage aanslag. Datzelfde geldt voor het niet (of te laat) doen van aangifte.1 De navorderingsvergrijpboete kan echter ook worden opgelegd als er, los van de aangifte, verkeerde informatie wordt gegeven (bijvoorbeeld in reactie op een vragenbrief), op basis waarvan de aanslag tot een te laag bedrag wordt vastgesteld. Ook als er helemaal geen aanslag is vastgesteld,2 maar dat achteraf bezien wel had gemoeten, kan deze vergrijpboete worden opgelegd. De neutrale formulering ‘anderszins te weinig belasting is geheven’ laat ruimte voor allerlei (andere) omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de aanvankelijk te lage heffing. Denkbaar is bijvoorbeeld dat de omschrijving van het beboetbare feit de situatie omvat dat te weinig is geheven omdat de belastingplichtige heeft verzuimd om te verzoeken om een uitnodiging tot het doen van aangifte, terwijl dat wel verplicht was.3 De neutrale formulering kan echter ook gunstig uitpakken voor de belastingplichtige wiens (eigen) aanslag te laag is vastgesteld, bijvoorbeeld omdat hij een bepaalde heffingscomponent ten onrechte niet heeft aangegeven. Als die heffingscomponent wél is begrepen in de aanslag van een andere belastingplichtige kan worden verdedigd dat er op totaalniveau niet ‘te weinig belasting is geheven’, hoezeer de heffing ook bij de verkeerde belastingplichtige in aanmerking is genomen.4
Voor het kunnen opleggen van de vergrijpboete van art. 67e AWR is ten slotte hetzij opzet, hetzij grove schuld vereist, zodat ook moet worden bewezen dat
het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven.
Opmerkingen
Enerzijds vallen onder de delictsomschrijving van art. 67e AWR meer gedragingen dan onder de delictsomschrijving van art. 67d AWR. Het meerdere houdt hier het mindere in: de gedragingen die onder art. 67d AWR vallen, kunnen – mits er sprake is van een navorderingsaanslag – evenzeer aanleiding zijn voor het opleggen van de boete van art. 67e AWR. Hetgeen hiervoor is opgemerkt over de vergrijpboete van art. 67d AWR,5 heeft in zoverre dus ook betekenis voor de vergrijpboete van art. 67e AWR.
Anderzijds is er, gelet op de ruimere formulering van het beboetbare feit bij de vergrijpboete van art. 67e AWR, wel meer ruimte voor herstel dan bij de vergrijpboete van art. 67d AWR. Een (in eerste instantie) niet gedane aangifte kan alsnog worden ingediend, een onjuiste of onvolledige aangifte kan na de indiening worden verbeterd of aangevuld. In dergelijke gevallen is het toetsmoment voor artikel 67d AWR verstreken, maar voor de beoordeling van de vraag of er (uiteindelijk) verwijtbaar te weinig belasting is geheven, kunnen eventuele herstelacties worden meegewogen.