Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.2.4.2
5.2.4.2 De te dekken schade volgens de Wam: algemeen
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS401834:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hoewel de Wam spreekt over 'letselschade' zal ik de meer gangbare term 'personenschade' gebruiken.
Zie Wansink, De algemene aansprakelijkheidsverzekering, p. 58.
Zie Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen (Wansink), nr. 320 - 16, nr. 4 (Verzekerde schade).
Zie Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen (Wansink), p. 320 - 16, nr. 4 (Verzekerde schade).
De Bosch Kemper & Gruben, nr. 7.4.
De Bosch Kemper & Gruben, nr. 7.4.
HR 31 oktober 1997, NJ 1998, 131.
Wet van 6 juli 2000, houdende nieuwe regels omtrent het openbaar vervoer, besloten busvervoer en taxivervoer (Wet personenvervoer 2000), Stb. 314, laatstelijk gewijzigd bij Wet van 18 juli 2009, Stb. 336.
Zie voor de interpretatie van art. 14, aanhef en onderdeel b) van de Richtlijn par. 5.2.5.1.
De Richtlijn verplicht alleen tot het dekken van personen- en materiële schade. Zuivere vermogensschade behoeft niet te worden gedekt. De Wam beperkt de verplichte dekking in het algemeen tot zaak- en letselschade.1
Naar Nederlands recht wordt onder zaakschade verstaan schade als gevolg van beschadiging, vernietiging of verlies van een (stoffelijke) zaak Onder personen (of letsel-)schade wordt verstaan de schade als gevolg van letsel of aantasting van de gezondheid van personen, al dan niet de dood ten gevolge hebbende:2 Schade die met zaak- en personenschade in deze zin geen verband houdt, de zuivere vermogensschade in verzekeringstechnische zin, behoeft dus naar de Wam niet te worden gedekt.3
De zuiver economische schade van een bedrijf dat onbereikbaar is voor leveranciers of afnemers ten gevolge van een verkeerd geparkeerde auto behoeft, hoezeer ook veroorzaakt door een motorrijtuig, dus niet te worden gedekt.
Hetzelfde geldt voor de schade die de zakenman lijdt door het missen van zijn vlucht op Schiphol door de file die ontstaat omdat een andere automobilist in de Coentunnel zonder brandstof komt te staan.
De Wam zwijgt over de vraag of onder zaak- en letselschade ook de daaruit voortvloeiende gevolgschade moet worden gedekt. Algemeen wordt echter aangenomen dat dit wel het geval is.4 Is er dus eenmaal sprake van schade aan een zaak of aan de gezondheid van personen, dan dient de daardoor veroorzaakte schade van economische aard waarvoor de verzekerde aansprakelijk is, onder de polis te worden gedekt. Het gaat daarbij niet slechts om de gevolgschade die wordt geleden door de derde die de zaak- of personenschade heeft geleden, maar ook om die van andere derden. De grenzen worden daarbij door het aansprakelijkheidsrecht getrokken, met name door de causaliteitsregels.
In het algemeen behoeven de kosten van preventieve maatregelen - genomen ter afwending van een zaak- of personenschade - niet te worden gedekt. Een uitzondering op deze hoofdregel wordt gemaakt in art. 3a Wam voor schade verband houdende met het vervoer van gevaarlijke stoffen, maar de dekking op grond van art. 3a beperkt zich tot motorrijtuigen met een maximaal toegelaten gewicht van meer dan 3.500 kg. Zie voor art. 3a Wam uitgebreider paragraaf 5.2.43.
Kantelt een bestelauto met een maximaal toelaatbaar gewicht van 3.500 kg of minder, geladen met vaten met gevaarlijke stoffen, dan behoeven de maatregelen die Rijkswaterstaat neemt om milieuschade te voorkomen niet te worden vergoed door de Wam-verzekeraar. Dit staat vanzelfsprekend aan aansprakelijkheid van de exploitant van de bestelauto op grond van art. 8:1210 BW niet in de weg, maar deze aansprakelijkheid behoeft niet op de motorrijtuigpolis te zijn gedekt.
Hoe moet worden geoordeeld over het karakter van de schadeposten wettelijke rente en (op grond van art. 6:96 BW verschuldigde) kosten van buitengerechtelijke rechtshulp? Zijn zij te beschouwen als zaak- of personenschade?
Ten aanzien van de wettelijke rente moet er om te beginnen op worden gewezen, dat een onderscheid kan en moet worden gemaakt tussen de rente die de benadeelde wegens zijn stilzitten verschuldigd is geworden en die welke de verzekeraar zelf verschuldigd is. De eerste vorm valt niet onder de verplichte dekking, is immers te beschouwen als 'zuivere vermogensschade' en - in de woorden van De Bosch Kemper & Gruben - "bovendien niet door het motorrijtuig in het verkeer toegebracht".5 De door de Wam-verzekeraar zelf verschuldigde rente moet - vanzelfsprekend - wel en onder omstandigheden ook boven de verzekerde som door hem worden vergoed. De verplichting daartoe vloeit niet voort uit de onrechtmatige daad, maar de vertraging in de voldoening van zijn schuld aan de benadeelde derde. Zie HR 29 april 1977, NJ 1978, 99, VR 1977, 68 (HAB).
Ten aanzien van de vraag of buitengerechtelijke kosten onder het schadebegrip van de Wam vallen uiten De Bosch Kemper & Gruben twijfel. Zij beroepen zich daarbij op HR 31 oktober 1997, NJ 1998, 131, volgend op Benelux Gerechtshof 26 juni 1996. Het Benelux Gerechtshof oordeelt dat de vraag of de verzekeraar al dan niet gehouden is de buitengerechtelijke kosten te vergoeden, niet door de Gemeenschappelijke bepalingen wordt beantwoord. Dat antwoord moet in het nationale recht worden gevonden.
Nu het Benelux Gerechtshof "met zoveel woorden onderscheid (maakt) tussen de kosten van artikel 6:96 BW en de door het motorrijtuig veroorzaakte schade", vragen De Bosch Kemper & Gruben zich af, of het dan ook niet juist zou zijn "deze kosten niet tot de WAM-schade te rekenen, maar te beschouwen als een schadepost die vergoed moet worden door elke debiteur die zijn eigen verplichtingen niet nakomt en daarom de daaruit voortvloeiende schade moet vergoeden".6
Hoe dit zij, in de woorden van de Hoge Raad luidt het antwoord op de vraag of de verzekeraar voor de buitengerechtelijke kosten moet opkomen voor Nederland:
"Evenals de verplichting van de WAM-verzekeraar tot het betalen van wettelijke rente over zijn schuld jegens de benadeelde los staat van zijn verbintenis jegens de verzekerde uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst, staat ook de verplichting van de verzekeraar tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten los van deze verbintenis."7
Naar Nederlands recht moeten deze kosten dus - zo nodig boven de verzekerde som worden vergoed.
De verplichte dekking voor schade in verband met het vervoer van gevaarlijke stoffen met motorrijtuigen met een maximum toegelaten gewicht van meer dan 3.500 kg is niet tot zaak- en personenschade beperkt. Deze materie wordt behandeld in paragraaf 5.2.43.
Art. 3 lid 2 Wam staat toe dat de door het schadeveroorzakende voertuig vervoerde goederen van de dekking worden uitgesloten, behoudens als zij toebehoren aan personen die door het voertuig worden vervoerd krachtens een vergunning ingevolge de Wet personenvervoer 20008.
De Richtlijn bepaalt omtrent de dekking van schade aan door het voertuig vervoerde passagiers dat de polis lichamelijk letsel dient te dekken. Voor wat betreft familieleden van de verzekeringnemer, van de bestuurder of van enig ander persoon die bij een ongeval wettelijk aansprakelijk wordt gesteld laat art. 12 lid 2 van de Richtlijn niet toe dat deze op grond van hun verwantschap worden uitgesloten van recht op vergoeding van hun personenschade. De uitsluiting van dekking terzake van zaakschade van deze familieleden is derhalve wel toegestaan.
In het kader van de dekking in het buitenland beperkt de Wam dus (althans in beginsel, in het geval van schade bij het vervoer van gevaarlijke stoffen geldt een ander regime, zie par. 5.2.4.3) de verplichte dekking tot personen- en zaakschade, maar wekt - ten onrechte - de suggestie dat de dekking ook in andere in art. 3 lid 2 en 3 bedoelde landen tot personen- en zaakschade beperkt mag zijn. Slechts uit het vijfde lid van art. 3 blijkt dat de toepasselijke wetgeving in dit opzicht leidend is. Het verdient aanbeveling art. 3 lid 2 en 3 in zoverre anders te redigeren, dat duidelijk wordt dat de dekking in Nederland beperkt kan blijven tot personen- en zaakschade, maar dat de dekking bij ongevallen in andere, in het tweede en derde lid bedoelde landen conform de daar geldende toepasselijke wetgeving dient te zijn.
De tweede volzin van art. 3 lid 3 Wam is de Nederlandse uitwerking van art. 14 aanhef en onder b) Richtlijn: als de Nederlandse verplichte dekking hoger is dan die in de lidstaat van het ongeval, dient deze hogere Nederlandse dekking in acht te worden genomen.
Bij het standaard-verkeersongeval zal dit geen problemen opleveren. De vergelijking is eenvoudig: men neemt de wettelijk voorgeschreven dekking in het ongevalsland en die van de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald in beschouwing en de hoogste van die twee bepaalt tot welk bedrag de verzekeraar ten opzichte van de benadeelde tot dekking verplicht is.
De Richtlijn en in navolging daarvan de Wam spreken over de hoogte van de dekking. Naar mag worden aangenomen gaat het dus slechts om de vraag tot welk bedrag de aansprakelijkheid, zoals die uit de op het ongeval toepasselijke wet voortvloeit, (minimaal) dient te worden verzekerd.9 Noch een eventuele uitgebreidere materiële dekking, noch een ruimere aansprakelijkheid wordt in deze interpretatie in de door Richtlijn en de Wam voorgeschreven vergelijking betrokken. Elementen als de voor vergoeding in aanmerking komende schade of schadeposten of aard van de aansprakelijkheid behoeven niet in aanmerking te worden genomen. Deze worden beheerst door het toepasselijk recht, dat wil doorgaans zeggen het recht van het land van het ongeval. Als de wet van de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald risicoaansprakelijkheid kent en die van de lidstaat van het ongeval (slechts) schuldaansprakelijkheid, zal de benadeelde zich niet op grond van art. 14 onder b) van de Richtlijn en art. 3 lid 3 Wam op deze ruimere, op risicoaansprakelijkheid gebaseerde dekking kunnen beroepen. Zie hierna, paragraaf 5.2.5.1.