Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.4.2.2.b
VII.4.2.2.b Aansprakelijkheid jegens een aandeelhouder van de vennootschap
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242855:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21 m.nt. Maeijer; JOR 2008/260 m.nt. Borrius (Willemsen/NOM). De Hoge Raad bevestigde dit onlangs nog in HR 30 maart 2018, NJ 2018, 330 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2018/234 m.nt. Kraaipoel (TMF). Voor de volledigheid wijs ik erop dat de vennootschappen in deze zaken geen monistisch bestuursmodel hanteerden. Omdat de niet-uitvoerende bestuurder de hoedanigheid van bestuurder heeft, geldt deze maatstaf ook voor hem.
HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21; JOR 2008/260 (Willemsen/NOM).
HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21; JOR 2008/260 (Willemsen/NOM).
Illustratief is de casus van HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21; JOR 2008/260 (Willemsen/NOM).
HR 30 maart 2018, NJ 2018, 330; JOR 2018/234 (TMF).
Vgl. HR 8 januari 1999, NJ 1999, 318 m.nt. Maeijer; JOR 1999/34 m.nt. Van den Ingh (Pelco/Sturkenboom).
HR 30 maart 2018, NJ 2018, 330; JOR 2018/234 (TMF).
Idem Hanegraaf, MvO 2019, afl. 1-2, p. 24.
Kraaipoel, in zijn noot onder HR 30 maart 2018, JOR 2018/234 (TMF).
Vgl. HR 8 januari 1999, NJ 1999, 318; JOR 1999/34 (Pelco/Sturkenboom).
Zie onder anderen Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 14, p. 253; en Kroeze 2004, p. 23, die dit voorbeeld ook noemt in Kroeze 2012, p. 30. Zie HR 11 maart 1937, NJ 1937, 899 m.nt. Meijers (Van der Werff/Beleggingstrust) voor een voorbeeld waarin een commissaris onrechtmatig handelde door aan derden bewust veel te gunstige inlichtingen te verstrekken, waardoor de derde werd bewogen aandelen te nemen.
In die paragraaf bespreek ik de Fortis-zaak (Rb. Utrecht 15 februari 2012, JOR 2012/243), waarin deze situatie zich voordeed.
De Hoge Raad bezigde de term ‘afgeleide schade’ voor het eerst in HR 29 november 1996, NJ 1997, 178; JOR 1997/28 m.nt. Kortmann (Cri-Cri). Hij ontwikkelde het leerstuk echter al eerder, zie HR 2 december 1994, NJ 1995, 288 m.nt. Maeijer (Poot/ABP).
Ik ontleen deze definitie aan Kroeze 2012, p. 29. Voor een bespreking van het leerstuk van afgeleide schade, verwijs ik naar zijn proefschrift, zie M.J. Kroeze, Afgeleide schade en afgeleide actie (Uitgave vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht, deel 45), Deventer: Kluwer 2004.
HR 2 december 1994, NJ 1995, 288 (Poot/ABP). Dat deze regel ook geldt wanneer de schadeveroorzaker een bestuurder is, volgt uit HR 16 februari 2007, NJ 2007, 256 m.nt. Maeijer; JOR 2007/112 m.nt. Van Veen & Van Wechem (Tuin Beheer/Houthoff). Ik wijs erop dat de rechtsregel die de Hoge Raad in dit arrest formuleerde niet specifiek ziet op de niet-uitvoerende bestuurder, maar omdat de niet-uitvoerende bestuurder een bestuurder is, geldt deze regel mijns inziens evenzeer voor hem.
Zie HR 2 december 1994, NJ 1995, 288 (Poot/ABP).
HR 16 februari 2007, NJ 2007, 256; JOR 2007/112 (Tuin Beheer/Houthoff).
Zie HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21; JOR 2008/260 (Willemsen/NOM). Ik merk voor de volledigheid op dat het leerstuk van afgeleide schade in deze zaak niet aan de orde kwam. Niettemin meen ik dat de schade van aandeelhouder NOM kwalificeerde als afgeleide schade. Zoals A-G Timmerman in zijn conclusie bij dit arrest terecht opmerkt, bestond de schade van NOM uit het waardeloos zijn van de aandelen als gevolg van het faillissement van Willemsen Holding. Idem onder anderen Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 14, p. 264; Kroeze 2012, p. 36-37; en Schild, WPNR 2015/7087, p. 1051. Anders Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 216.
Idem onder anderen Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nrs. 215-216; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 14, p. 257; Kroeze 2004, p. 63 e.v.; en Maeijer in zijn noot onder HR 16 februari 2007, NJ 2007, 256 (Tuin Beheer/Houthoff).
Dit voorbeeld ontleen ik aan HR 16 februari 2007, NJ 2007, 256; JOR 2007/112 (Tuin Beheer/Houthoff).Voor meer voorbeelden verwijs ik naar Kroeze 2004, p. 63 e.v.
HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21; JOR 2008/260 (Willemsen/NOM).
Zie Rb. Groningen 28 april 2004, RN 2006, 43 (NOM).
Hof Leeuwarden 22 maart 2006, JOR 2006/148 m.nt. Groffen (NOM).
HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21; JOR 2008/260 (Willemsen/NOM).
Zie over de algemene gang van zaken § VI.2.2.
Zie § V.7.2.3. Ik wijs er nogmaals op dat dit niet met zoveel woorden uit Boek 2 BW volgt. Althans, voor niet-structuurvennootschappen niet. Voor structuurvennootschappen bepaalt Boek 2 BW immers wél dat belangrijke bestuursbesluiten niet voor mandatering aan een of meer bestuurders vatbaar zijn. Zie art. 2:164a/274a lid 3 jo. 2:164/274 lid 1 BW.
Croiset van Uchelen, TOP 2014/242.
HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21; JOR 2008/260 (Willemsen/NOM).
Ook dit volgt uit HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21; JOR 2008/260 (Willemsen/NOM).
Vgl. Arons in zijn commentaar bij HR 17 februari 2017, MvO 2017, afl. 5-6, p. 155-156 (Le Roux).
Lijdt een aandeelhouder schade als gevolg van onrechtmatig handelen van de niet-uitvoerende bestuurder, dan kan hij laatstgenoemde onder omstandigheden aanspreken uit hoofde van art. 6:162 BW. Voor de inkleuring van de aansprakelijkheidsnorm putte de Hoge Raad opnieuw inspiratie uit art. 2:9 BW. Uit het arrest Willemsen/NOM leid ik af dat een vordering van een aandeelhouder slechts kans van slagen heeft indien de niet-uitvoerende bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt treft.1 De Hoge Raad rechtvaardigt deze hoge drempel voor aansprakelijkheid vanwege de zelfgekozen betrokkenheid van individuele aandeelhouders bij de gang van zaken binnen de vennootschap.2
De niet-uitvoerende bestuurder is dus slechts aansprakelijk jegens een aandeelhouder indien laatstgenoemde stelt en zo nodig bewijst dat de niet-uitvoerende bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt treft van zijn onrechtmatige handelen. Of sprake is van een persoonlijk ernstig verwijt, is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval.3 Handelde de niet-uitvoerende bestuurder in strijd met een statutaire of wettelijke bepaling die een individuele aandeelhouder beoogt te beschermen, dan is aansprakelijkheid in beginsel gegeven.4 In het TMF-arrest oordeelde de Hoge Raad dat ook het houden van onvoldoende toezicht op een medebestuurder onder omstandigheden tot een persoonlijk ernstig verwijt kan leiden.5 Hoewel deze zaak niet specifiek zag op een vennootschap met een one tier board, meen ik dat de rechtsregel bij uitstek voor de niet-uitvoerende bestuurder relevant is.
Wat speelde er in de zaak? Particuliere beleggers hadden via verschillende vennootschappen geïnvesteerd in een project van een zekere heer Pot. Het project ging uiteindelijk niet door, hetgeen tot gevolg had dat de aandelen van de beleggers waardeloos waren. De particuliere beleggers probeerden de door hen geleden schade te verhalen op TMF Management Ltd (hierna: TMF). TMF vormde tezamen met Pot het bestuur van een deel van de speciaal voor het project opgerichte vennootschappen. Inmiddels stond vast dat Pot onder meer in strijd met de Wft had gehandeld. De particuliere beleggers verweten TMF dat zij had nagelaten op te treden tegen het onrechtmatige handelen van Pot.
De Hoge Raad oordeelde dat het juist is dat ook het houden van onvoldoende toezicht op de taakuitoefening door een medebestuurder onder omstandigheden persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder kan meebrengen.6 Het oordeel van het hof dat eisers geen feiten en omstandigheden hebben gesteld waaruit bleek dat TMF wist of redelijkerwijs behoorde te weten dat Pot in strijd met Nederlandse regelgeving handelde, gaf volgens hem echter geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad nam daarbij in aanmerking dat niet is gebleken dat TMF andere dan administratieve werkzaamheden verrichtte.7
Omdat de niet-uitvoerende bestuurder de hoedanigheid van bestuurder heeft, geldt mijns inziens ook voor hem dat het houden van onvoldoende toezicht op een medebestuurder onder omstandigheden tot een persoonlijk ernstig verwijt kan leiden. Onder welke omstandigheden aansprakelijkheid wegens het houden van onvoldoende toezicht op de loer ligt, expliciteert de Hoge Raad niet. Ons hoogste rechtscollege lijkt in het TMF-arrest niettemin waarde te hechten aan de taakverdeling binnen het bestuur. Ook lijkt de feitelijke betrokkenheid van de bestuurder gewicht in de schaal te leggen.8
De niet-uitvoerende bestuurder heeft mijns inziens niets van individuele aandeelhouders te vrezen indien hij zijn toezichthoudende taak naar behoren vervult. Liggen de kaarten anders indien hij niet naar behoren toezicht houdt? Het houden van onvoldoende toezicht is in de eerste plaats onrechtmatig jegens de vennootschap. In navolging van Kraaipoel meen ik dat de eventuele interne aansprakelijkheid van een bestuurder die onvoldoende toezicht heeft gehouden op een medebestuurder niet zonder meer tot gevolg heeft dat die bestuurder daarmee ook aansprakelijk is jegens een aandeelhouder. “Als dat anders was, zou daarmee in externe gevallen van bestuurdersaansprakelijkheid van de (onrechtmatig) handelende bestuurder de facto [cursivering NK] ook hoofdelijke aansprakelijkheid gelden voor de onvoldoende toezichthoudende medebestuurder. Dat is volgens de Hoge Raad nu juist niet de bedoeling”, aldus Kraaipoel.9 Ik concludeer dat het houden van onvoldoende toezicht an sich onvoldoende is voor aansprakelijkheid. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden vereist.10
De niet-uitvoerende bestuurder is jegens een individuele aandeelhouder aansprakelijk indien hem persoonlijk een ernstig verwijt treft. Een voorwaarde is dan wel dat de schade van de aandeelhouder kwalificeert als rechtstreekse schade. Een in de literatuur veel genoemd voorbeeld van rechtstreekse schade is de schade die de aandeelhouder lijdt als gevolg van misleidende informatie over de financiële toestand van de vennootschap.11 Koopt een aandeelhouder bijvoorbeeld als gevolg van een misleidend prospectus aandelen voor een te hoge prijs, dan lijdt hij direct schade. Ik kom hier in § VII.4.2.3 op terug.12
De zaken liggen anders indien de aandeelhouder ‘afgeleide schade’ lijdt.13 Daarvan is sprake indien de schade van de aandeelhouder een direct gevolg is van de schade die de vennootschap lijdt.14 Brengt een bestuurder de vennootschap vermogensschade toe wegens een onbehoorlijke vervulling van zijn taak, dan zullen de aandelen als gevolg daarvan in waarde dalen. De schade die aandeelhouders lijden als gevolg van de waardevermindering van de aandelen, is afgeleid van de schade van de vennootschap. Deze afgeleide schade komt in de regel niet voor vergoeding in aanmerking. Dit is sinds het Poot/ABP-arrest vaste rechtspraak.15
De idee achter dit uitgangspunt is dat het op de weg van de vennootschap ligt om de aan haar toegebrachte schade te verhalen op de bestuurder. De vennootschap neemt immers als zelfstandig drager van rechten en verplichtingen deel aan het rechtsverkeer. Vordert de vennootschap schadevergoeding van de schadeveroorzakende bestuurder, dan wordt daarmee in beginsel ook de waardedaling van de aandelen ongedaan gemaakt.16
Op het uitgangspunt dat de aandeelhouder de door hem geleden afgeleide schade niet kan verhalen op de bestuurder(s) van de vennootschap, bestaat een uitzondering. Afgeleide schade komt wél voor vergoeding in aanmerking indien de bestuurder een ‘specifieke zorgvuldigheidsplicht jegens de aandeelhouder heeft geschonden’, zo leert de Hoge Raad ons.17 Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de bestuurder handelt in strijd met een statutaire bepaling die de belangen van de individuele aandeelhouder beoogt te beschermen.18
Heeft de bestuurder een specifieke zorgvuldigheidsplicht jegens de aandeelhouder geschonden, dan is de eerste hobbel genomen. Dit wil evenwel niet zeggen dat de afgeleide schade van de aandeelhouder voor vergoeding in aanmerking komt. Daarvoor zijn ‘bijkomende omstandigheden’ vereist.19 Te denken valt aan opzet om de aandeelhouder te benadelen.20
Hoe pakt dit nu uit voor de niet-uitvoerende bestuurder? Omdat de niet-uitvoerende bestuurder de hoedanigheid van bestuurder heeft, geldt hetgeen ik besprak eveneens voor hem. Kwalificeert de schade als afgeleide schade, dan kan de aandeelhouder die schade dus slechts op de niet-uitvoerende bestuurder verhalen indien laatstgenoemde een specifieke zorgvuldigheidsplicht jegens hem heeft geschonden en er bijkomende omstandigheden zijn. Gelet op de taak van de niet-uitvoerende bestuurder, meen ik dat zijn aansprakelijkheidsrisico in de regel nihil is. Slechts in bijzondere gevallen ligt aansprakelijkheid op de loer. Om het aansprakelijkheidsrisico van de niet-uitvoerende bestuurder te schetsen, bespreek ik de casus die centraal stond in de zaak Willemsen/NOM.21
Aandeelhouder NOM hield 49,9% van de aandelen van Willemsen Holding BV (hierna: Willemsen Holding). De andere 50,1% van de aandelen waren in handen van Willemsen Beheer. Laatstgenoemde was enig bestuurder van Willemsen Holding. Op 31 oktober 2001 sloot NOM een overeenkomst van geldlening met Willemsen Beheer en Willemsen Holding, waarbij zij aan Willemsen Holding drie miljoen gulden verstrekte. Op diezelfde dag werden ook de statuten van Willemsen Holding gewijzigd. De statuten bepaalden sindsdien dat besluiten van de algemene vergadering worden genomen met een meerderheid van tachtig procent van de uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin ten minste tachtig procent van het geplaatste kapitaal is vertegenwoordigd. Wat verder van belang is, is dat de statuten bepaalden dat goedkeuring van de algemene vergadering nodig is voor bestuursbesluiten betreffende de aangifte van faillissement en de aanvraag van surséance van betaling. Tot slot sloot NOM op 31 oktober 2001 een participatie- en aandeelhoudersovereenkomst met Willemsen Beheer en Willemsen Holding. Op grond van deze overeenkomst had de algemene vergadering eveneens een goedkeuringsrecht met betrekking tot het bestuursbesluit betreffende de aangifte van faillissement en de aanvraag van surséance van betaling.
Op 21 mei 2002 vroeg Willemsen Beheer surséance van betaling aan voor Willemsen Holding, zonder dat het besluit ter goedkeuring was voorgelegd aan de algemene vergadering van aandeelhouders. Een dag later werd de surséance van betaling weer ingetrokken. De rechtbank sprak op diezelfde dag het faillissement van Willemsen Holding uit. NOM stelde daarop Willemsen Beheer aansprakelijk op grond van art. 6:162 BW wegens het schenden van de statuten en de participatie- en aandeelhoudersovereenkomst.
De rechtbank wees de vorderingen van NOM af.22 Vervolgens stelde NOM hoger beroep in. Het gerechtshof ging met NOM mee en vernietigde het vonnis van de rechtbank.23 Daarop stapte Willemsen Beheer naar de Hoge Raad.24
Stel dat het bestuur van Willemsen Holding uit uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders bestond. Had NOM de niet-uitvoerende bestuurder dan met succes kunnen aanspreken? Ik denk dat het antwoord op deze vraag positief luidt. Het besluit van het bestuur tot het aanvragen van surséance van betaling is mijns inziens een besluit dat vanwege zijn importantie onder de algemene gang van zaken valt.25 Dit betekent dat het besluit door het bestuur als collectief behoort te zijn genomen.26 Bovendien staat buiten kijf dat de statutaire bepaling waarin de goedkeuring van de algemene vergadering was geregeld, specifiek strekte ter bescherming van NOM. Croiset van Uchelen merkt terecht op dat het feit dat de niet-uitvoerende bestuurder verder van de dagelijkse gang van zaken af staat en mogelijk over minder informatie beschikt, geen excuus is om de statuten bewust te negeren.27
Neemt het bestuur het besluit tot het aanvragen van surséance van betaling zonder expliciete voorafgaande goedkeuring van de algemene vergadering, dan is de aansprakelijkheid van de niet-uitvoerende bestuurder in beginsel gegeven. Zulks volgt uit de rechtsregel die de Hoge Raad formuleerde in het arrest Willemsen/NOM.28 Toont de niet-uitvoerende bestuurder aan dat zijn handelen geen ernstig verwijt oplevert, dan gaat hij echter vrijuit.29 Zo zou hij bijvoorbeeld kunnen aanvoeren dat hij gemotiveerd tegen het besluit tot het aanvragen van surséance van betaling heeft gestemd. De niet-uitvoerende bestuurder ontkomt in dat geval aan aansprakelijkheid, mits hem geen verwijtbare nalatigheid kan worden verweten.30