Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/3.4.3.3
3.4.3.3 'Peanut'-uitzondering; ondernemingsvermogenstoets
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS452940:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. tevens HR 11 september 1991, BNB 1991/317, HR 31 januari 1996, BNB 1996/145, HR 13 december 1995, BNB 1996/88 en HR 19 juni 1996, BNB 1996/303. In HR 11 december 1996, BNB 1997/56 strandde een beroep op de 'peanut'-uitzondering wegens gebrek aan feitelijke grondslag.
Zie over de 'peanut'-uitzondering onder meer F.W.G.M. van Brunschot, De kasgeldarresten; een exegese, WFR 1991/5946, blz. 109 e.v.; R.P.C.W.M. Brandsma, Zoveel mensen, zoveel zinnen; de kasgeldarresten, wederom een exegese, WFR 1991/5956, blz. 492 e.v. en R.W. Tieskens, Een commentaar op van Brunschots exegese van BNB 1990/290, WFR 1991/5956, blz. 495 e.v., beide met naschrift van F.W.G.M. van Brunschot.
Tegen deze achtergrond is de uitspraak van Hof 's-Gravenhage, te kennen uit HR 31 januari 1996, BNB 1996/145, dan ook, hoewel onjuist, wel begrijpelijk. Zie tevens P.H.J. Essers in zijn noot onder dit arrest in BNB 1996/145.
Zie onder meer HR 11 september 1991, BNB 1991/317, HR 2 juni 1993, BNB 1993/246, HR 13 december 1995, BNB 1996/88, HR 19 juni 1996, BNB 1996/303 en HR 11 december 1996, BNB 1997/56. Zie voor situaties waarin de 'peanut'-uitzondering wel kon worden toegepast onder meer HR 11 oktober 1995, BNB 1996/142 en HR 31 januari 1996, BNB 1996/145.
Ik wijs ten slotte nog op de praktische toepassing van de kasgeldjurisprudentie in relatie tot beleggingsmaatschappijen die de CCB/Projectgroep 'holding- en kasgeldconstructies' heeft gekozen in haar beleidsnota van 9 februari 1995, FUtD 95-1423, welke praktische benadering blijkens HR 11 oktober 1995, BNB 1996/142 en HR 1 november 1996, BNB 1996/143 lijkt te worden gestaafd door de Hoge Raad.
Uit HR 11 juli 1990/290 en 293 alsmede HR 2 juni 1993, BNB 1993/246 bleek dat de kasgeldjurisprudentie niet van toepassing was als het afgesplitste on-dernemings- resp. beleggingsvermogen minder bedroeg dan 10% van het totale vermogen van de kasgeldvennootschap, de zgn. 'peanut'-uitzondering.1 De 'peanut'-uitzondering gold enkel voor kasgeldconstructies, aangezien alleen bij kasgeldconstructies een kasgeldvennootschap wordt afgesplitst van de onder-nemings- resp. beleggingsactiviteiten.2 Het gevolg van de 'peanut'-uitzondering was dat de kasgeldjurisprudentie niet van toepassing was als de kasgeldvennootschap op het moment van afsplitsing van de ondernemings- resp. beleggingsactiviteiten, voor meer dan 90% overig, d.w.z. niet-ondernemings-gebonden, vermogen bezat. In geval van 'vette' kasgeldvennootschappen met daarin veel opgespaarde overtollige (winst)reserves, kon de kasgeldjurisprudentie door de 'peanut'-uitzondering dus niet worden toegepast.3 Op de 'peanut'-uitzondering kan alleen geen beroep worden gedaan, indien het belang van de onderneming in het totale vermogen van de (af te splitsen) kasgeldvennootschap op een geforceerde wijze met behulp van kunstgrepen is verlaagd tot beneden de 10%, bijvoorbeeld doordat het vermogen van de kasgeldvennootschap op kunstmatige wijze is opgepompt door middel van (al dan niet te-ruggeleende) dividenduitkeringen door de werkmaatschappij aan de kasgeld-vennootschap.4,5 Overigens meen ik dat de 'peanut'-uitzondering nimmer in de kasgeldjurisprudentie had moeten worden geïntroduceerd. Relevant is immers slechts de feitelijkheid dat de aandeelhouder uiteindelijk de (winst)reser-ves van de vennootschap in privé realiseert, zonder dat hij daarbij zijn belang bij de uitkomsten van de activiteiten van de vennootschap verliest. Met hoeveel of juist hoe weinig vermogen de vennootschap erin slaagt deze activiteiten tot een succes te maken, is hierbij irrelevant. Gelet op de gelijkstelling met een inkoop van aandelen resp. liquidatie van de vennootschap, meen ik dat voor de toepassing van de holding- en kasgeld louter relevant behoren te zijn 1) of de aandeelhouder door middel van het samenstel van transacties nagenoeg geheel zijn belang heeft behouden bij de uitkomsten van de in de vennootschap ontplooide activiteiten, het zgn. '90%'-criterium, en 2) of de vennootschap over voldoende vermogen beschikt om daaruit de koopsom van de aandelen te putten, het zgn. objectieve 'put'-criterium. De overige genoemde criteria zijn naar mijn mening ten onrechte in de holding- en kasgeldjurisprudentie geïntroduceerd.