Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.12
5.8.12 Verzet: de verzoekschriftprocedure
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648950:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het verzet heeft relatieve werking en geen absolute werking. Het verzet werkt alleen voor de schuldeiser die zelf in verzet komt en niet voor de gehele groep schuldeisers. De hoofdregel is dat de rechtbank naar aanleiding van ieder verzoekschrift een afzonderlijke beschikking zal geven. Komen er bij dezelfde rechtbank meer verzoekschriften over hetzelfde (of een nauw verbonden) onderwerp binnen, dan kan op grond van artikel 285 lid 2 Rv (ambtshalve) voeging plaatsvinden en kunnen de verzoekschriften gezamenlijk worden behandeld. Daarna kan bij één beschikking op de verschillende verzoekschriften worden beslist. In artikel 997 lid 1 Rv is slechts bepaald dat op de verschillende verzoekschriften tezamen wordt beschikt. Er staat niet dat deze ook tezamen worden behandeld. De rechtbank mag daar echter wel toe beslissen. Dit laatste wordt dus aan de discretie van de rechtbank overgelaten. Indien verschillende verzoekschriften ongeveer tegelijkertijd zijn ingediend, ligt gezamenlijke behandeling voor de hand, zie Vlas, art. 997 Rv, aant. 8.
Daarnaast geldt de tiende titel van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In artikel 995 lid 2 Rv is bepaald dat het verzoekschrift de naam en de zetel van de rechtspersoon dient te vermelden. Gedoeld wordt op de moedervennootschap. In het landelijk procesreglement (at. 2.2.22) is bepaald dat een kopie van de verklaring tot intrekking van de artikel 2:403-verklaring overgelegd dient te worden. Stcrt. 2018/8091, 15 februari 2018, p. 12.
Timmerman 1993, p. 328-329.
Tegenwoordig kunnen de stukken naar een algemeen postbusnummer worden gestuurd. In de parlementaire geschiedenis valt nog te lezen: “De onderdelen b en c van lid 3 verplichten ertoe het voornemen tot beëindiging van de aansprakelijkheid bekend te maken door nederlegging ten kantore van het handelsregister en een advertentie in een landelijk dagblad. Evenals in artikel 403 moet dit het kantoor van het handelsregister zijn waar de rechtspersoon is ingeschreven jegens wiens schuldeisers de ingetrokken aansprakelijkheidstelling was afgelegd.” Zie Kamerstukken II 1983/84, 16551, nr. 11, p. 16.
Nota naar aanleiding van het eindverslag, ontvangen 4 september 1984, Kamerstukken II 1983/ 84, 16551, nr. 11, p. 17.
Zie paragraaf 5.8.8.4.
De Rechtbank Utrecht heeft met een ‘anticiperend verzet’ ingestemd. Het verzet was al twee weken voor de bekendmaking aangetekend. De rechtbank gaat hieraan voorbij, zonder daar veel woorden aan vuil te maken. Rb. Utrecht, 10 november 2010, JOR 2011/6.
Zie Rb. Rotterdam 30 september 2014, JOR 2014/326. Zie in dit kader voorts Hof Amsterdam 23 juli 1993, NJ 1994/132. Zie ook Bungenberg 2015.
Zie Hof Amsterdam 23 juli 1993, NJ 1994/132. Zie hierover voorts Van Zoest 2014, p. 1-4.
In gelijke zin: Spierings 2012. Anders: Ramanna 2008, p. 17-21.
In de KEI-wetgeving is een wijziging van art. 997 Rv opgenomen, waarbij de strekking van de regeling gelijk blijft maar er wordt een wijziging aangebracht in de gebruikte terminologie. Per 1 september 2017 is in lid 5 het begrip verzoekschrift vervangen door verzoek. De gewijzigde tekst geldt vanaf 1 september 2017 bij alle gerechten (Stb. 2016/290 jo. en Stb. 2017/174).
Artikel 997 Rv geeft in lid 1 aan voor welke verzetsmogelijkheden het artikel is geschreven. Artikel 997 Rv is van toepassing op de verzetsprocedures op grond van artikel 2:100 lid 3 BW, 2:182 lid 3 BW, 2:316 lid 2 BW, 2:334l BW en 2:404 lid 5 BW. De kapitaalverminderingsregeling van artikel 2:100 BW geldt voor de NV. Vanaf 1 oktober 2012 geldt deze (vergelijkbare) regeling niet meer voor de BV. Dat is bij de destijds doorgevoerde flexibilisering van het BV-recht geschrapt.
Artikel 3:10 lid 2 BW: Een rechtspersoon heeft zijn woonplaats ter plaatse waar hij volgens wettelijk voorschrift of volgens zijn statuten of reglementen zijn zetel heeft. Wanneer de rechtspersoon is opgehouden te bestaan, blijft de rechter van de woonplaats van de rechtspersoon bevoegd. Ten aanzien van buitenlandse vennootschappen geldt dat de woonplaats in de zin van artikel 1:10 lid 2 BW ter plaatse hun statutaire zetel in het buitenland zullen hebben. Voor zover dat niet in strijd is met het in artikel 16 sub 2 EEX-Verdrag (artikel 24 sub 2 EEX-Verordening) bepaalde kan op grond van jurisprudentie van het Hof van Justitie in haar statuten een afwijkende forumkeuze opgenomen worden. Dat leidt ertoe dat in afwijking van artikel 995 Rv een andere rechter bevoegd kan zijn. Zie HvJ EG 10 maart 1992, zaak C-214/89, NJ 1996, 279. Er bestaat echter discussie over de vraag of een dergelijke statutaire forumkeuze in alle gevallen geldig is.
Artikel 995 lid 1 Rv voorziet in een bijzondere regeling van de relatieve competentie in verzoekschriftprocedures ex Boek 2 BW. Artikel 995 Rv geldt als lex specialis ten aanzien van de algemene regeling van artikel 262 Rv, welke de rechter van de woonplaats van verzoeker bevoegd verklaart.
Zie bijvoorbeeld Rb. Rotterdam 14 januari 1987, NJ 1988/1050.
De eindbeschikking is dan betrekkelijk kort. Zie bijvoorbeeld de eindbeschikking van de Rb. Midden-Nederland in de SNS Propertize kwestie, Rb. Midden-Nederland 14 januari 2015, AR 2015/128.
Het verzoekschrift dient te voldoen aan de vereisten van artikel 278 Rv.
Aangenomen wordt dat de algemene bepalingen voor verzoekschriftprocedures van toepassing zijn op de procedures genoemd in artikel 997 Rv waaronder de verzetsprocedure. Vlas, art. 995, aantekening 10, 11 en 14.
Schending van dit wettelijke vormvoorschrift leidt tot vernietigbaarheid van de beschikking. Zie Kamerstukken II 1970/71, 11416, nr. 3, p. 36.
Dit is logisch, omdat de moedervennootschap direct betrokken is bij het verzet tegen de door haar voorgenomen beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid en om die reden is dit dan ook opgenomen in de wet, Kamerstukken II 1970/71, 11416, nr. 3, p. 36.
Zie HR 26 juni 1996, NJ 1997/25. Dit is ook mogelijk wanneer het verzet mogelijk niet ontvankelijk is, Hof Amsterdam 15 december 1994, NJ 1996/221.
Zie HR 26 juni 1996, NJ 1997/25, r.o. 4.2: “De ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam is in artikel 997, lid 5 Rv. aangewezen als de instantie die bevoegd is tot kennisneming van het hoger beroep van beschikkingen op een verzet als bedoeld in artikel 2:404, lid 5 BW. Hoewel in het eerstgenoemde artikellid gesproken wordt van hoger beroep tegen de eindbeschikking, moet die aanwijzing geacht worden in het algemeen te gelden voor het hoger beroep dat wordt ingesteld tegen de op een verzet als bedoeld in artikel 2:404, lid 5 BW; JK) gegeven beschikkingen, ook wanneer dit mogelijk niet-ontvankelijk is, bijvoorbeeld omdat het niet tegen een eindbeschikking maar tegen een tussenbeschikking is gericht.”
Om op basis van artikel 2:404 lid 5 BW in verzet te komen tegen het besluit om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen, dient een schuldeiser zelfstandig1 een verzoekschrift in te dienen bij de bevoegde rechtbank. De verzetsprocedure valt daarmee in de categorie verzoekschriftprocedures. Een verzoekschrift dat strekt tot verzet dient in beginsel aan de reguliere vereisten te voldoen die aan een verzoekschrift worden gesteld, voor zover daarvan niet op basis van specifieke bepalingen van is afgeweken.2
De verzetstermijn beloopt twee maanden, te rekenen vanaf het moment waarop in een landelijk verspreid dagblad3 bekend is gemaakt dat de consoliderende rechtspersoon haar voornemen tot beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid bij het Handelsregister4 heeft gedeponeerd. Duidelijk is dat de aanvang van deze termijn wordt bepaald door de publicatie van de nederlegging bij het Handelsregister van het voornemen tot beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid. In de parlementaire geschiedenis wordt ten aanzien van artikel 404 lid 5 BW opgemerkt:
“Evenals in artikel 316 luidt de advertentie betreffende de nederlegging ten kantore van het handelsregister de verzettermijn in. De termijn, de gang van zaken en de gronden voor afwijzing en toewijzing van het verzet zijn dezelfde.”5
Een schuldeiser die reeds vóór de publicatie van het deponeren van het voornemen tot beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid verzet heeft aangetekend, een zogenaamd prematuur verzet,6 kan door de rechter ontvankelijk worden verklaard.7 Wanneer verzet te laat wordt ingediend, kan een verzoeker onder bijzondere omstandigheden toch nog ontvankelijk worden verklaard. Er moet dan wel sprake zijn van een situatie die in strijd kan worden geacht met de redelijkheid en billijkheid. Zo kan bijvoorbeeld een uitzondering worden gemaakt op de fatale termijn wanneer sprake is van misbruik van recht.8 Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan worden aangenomen dat omwille van de redelijkheid en billijkheid kan worden verlangd dat schuldeisers individueel op de hoogte worden gesteld van het voornemen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen.9 De omstandigheden in de uitspraak die tot dit oordeel leidde waren dermate uitzonderlijk dat niet kan worden gesproken van een algemene verplichting om schuldeisers individueel op de hoogte te stellen.10 Over het algemeen wordt aan de regels rondom de groepsvrijstelling en de beëindiging daarvan redelijk strikt de hand gehouden.
Boek 2 BW bevat verschillende bepalingen die regelen dat een schuldeiser in verzet kan komen tegen een besluit van een rechtspersoon. Artikel 997 Rv11 geeft voor die situaties12 een aantal aanvullende procesregels. Artikel 997 Rv luidt als volgt:
Artikel 997 Rv
Het verzet van een schuldeiser onderscheidenlijk een wederpartij overeenkomstig de artikelen 100 lid 3, 182 lid 3, 316 lid 2, 334l, of 404 lid 5 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt door de rechter met de meeste spoed behandeld. Indien verschillende verzoekschriften zijn ingediend, wordt op alle tezamen beschikt.
Van de dag waarop de behandeling zal plaatsvinden, wordt door de griffier aankondiging gedaan in de Nederlandse Staatscourant en in een landelijk verspreid dagblad.
Voorts geeft de griffier kennis aan het kantoor van het handelsregister, waar de vennootschap is ingeschreven.
De rechtbank hoort de schuldeisers onderscheidenlijk de wederpartijen die zijn verschenen.
Hoger beroep moet binnen drie weken na de dagtekening van de eindbeschikking worden ingesteld bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam. De voorgaande leden vinden in hoger beroep overeenkomstige toepassing.
Naast artikel 997 Rv zijn de overige bepalingen van de tiende titel van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van belang. In het bijzonder zij gewezen op artikel 995 Rv:
Artikel 995 Rv
In de zaken die ingevolge het bij of krachtens Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde met een verzoekschrift worden ingeleid, is, tenzij anders is bepaald, bevoegd de rechter van de woonplaats van de rechtspersoon. Nadat de rechtspersoon is opgehouden te bestaan blijft deze rechter bevoegd in zaken betreffende de vereffening, de benoeming van bewaarders van boeken en bescheiden en het verlenen van machtiging tot inzage in boeken en bescheiden.
Het verzoekschrift vermeldt, onverminderd het in artikel 278 bepaalde, de naam en de woonplaats van de rechtspersoon.
De rechter gelast in ieder geval de oproeping van de rechtspersoon.
Zoals uit artikel 995 Rv volgt, dient het verzoekschrift te worden ingediend bij de rechtbank van de woonplaats van de rechtspersoon.13 Het betreft de rechtspersoon die ‘hoofdschuldenaar’ is, zo is bepaald in artikel 2:404 lid 5 BW. De term hoofdschuldenaar is opmerkelijk. Dit verraadt de gedachte achter de vrijstellingsregeling en doet erg sterk denken aan borgtocht waarbij sprake is van een hoofdschuldenaar en een zekerheidsverstrekker. Bij een zekerheid die ten behoeve van een schuld van een derde wordt gesteld, wordt gesproken van een hoofdschuldenaar. Bij hoofdelijke aansprakelijkheid zijn alle hoofdelijke schuldenaren naast elkaar verbonden voor hetzelfde deel, namelijk het geheel. Tevens is er geen volgorde waarin de schuldeiser de schuldenaren aan dient te spreken. Subsidiariteit ontbreekt. Ook om deze reden is er bij hoofdelijkheid geen sprake van een hoofdschuldenaar en een schuldenaar die lager of later in rang is. Bij hoofdelijkheid wordt in de regel gesproken van medeschuldenaren. Van een hoofdschuldenaar wordt in de regel gesproken bij borgtocht of garanties. Gezien het feit dat er geen hoofdschuldenaar is (tenzij een derde partij weer borg staat voor de rechtspersoon die de 403-verkla-ring heeft afgegeven, hetgeen niets verandert aan de in rechte te betrekken partij), is de woordkeuze in artikel 2:404 lid 5 BW apart en zelfs verwarrend. Gedacht zou kunnen worden dat het de vrijgestelde rechtspersoon betreft. Het is immers de vermogenstoestand van de vrijgestelde rechtspersoon die centraal dient te staan in de procedure. Het van toepassing zijnde artikel 995 Rv14 biedt ook geen opheldering over welke vennootschap wordt bedoeld. Aangezien het verzoek zich richt tegen de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft afgegeven, zal die rechtspersoon worden bedoeld.
Opmerkelijk is dat artikel 2:404 lid 5 BW niet bepaalt dat een schuldeiser dient aan te geven welke waarborg hij verlangt, zoals bij andere verzetsregelingen. Artikel 2:404 lid 6 BW laat dit over aan de rechter. De rechter zal in zijn tussenbeschikking bepalen dat het verzet gegrond zal worden verklaard tenzij een door hem bepaalde zekerheid wordt gesteld of een andere waarborg wordt gegeven.15 Wordt door de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft afgegeven geen gebruikgemaakt van die mogelijkheid, dan volgt de eindbeschikking waarin het verzet gegrond zal worden verklaard.16
Wanneer het verzoekschrift is ingediend, zal worden bezien of het verzoekschrift voldoet aan alle vereisten die daaraan worden gesteld.17 In lid 1 van artikel 997 Rv is bepaald dat het verzet door de rechter18 met de meeste spoed zal worden behandeld. Op basis van de algemene bepalingen van artikel 271 Rv en verder19 heeft de rechtbank een oproepplicht.20 Uit die artikelen volgt ook op welke wijze de oproeping dient te geschieden. Artikel 995 lid 3 BW bepaalt dat de rechter in ieder geval de consoliderende rechtspersoon dient op te roepen voor de behandeling van het verzoekschrift.21
Het aantekenen van verzet heeft vertragende werking. Wanneer een schuldeiser verzet aantekent, kan dit tot vertraging van de opheffing van de overblijvende aansprakelijkheid leiden. Daarvan zal in de regel sprake zijn, met uitzondering van het onwaarschijnlijke geval waarin de gehele procedure direct wordt opgestart en binnen twee maanden plaatsvindt. De vertraging werkt slechts ten opzichte van de zich verzettende schuldeiser(s). Ten aanzien van schuldeisers die niet in verzet komen, komt de overblijvende aansprakelijkheid gewoon te eindigen.
Indien een schuldeiser of de rechtspersoon die de overblijvende aansprakelijkheid wenst te beëindigen het niet eens is met een door de rechtbank in een verzetsprocedure afgegeven beschikking, kan in hoger beroep worden gegaan bij de Ondernemingskamer.22 Hoger beroep staat open voor zowel tussenbeschikkingen als eindbeschikkingen.23