De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland
Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/6.11:6.11 Coherentiebeginsel
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/6.11
6.11 Coherentiebeginsel
Documentgegevens:
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS392113:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
• Is de rubricering van het strafbare feit eerlijk en vanzelfsprekend?
De strafbaarstelling in artikel 273f Sr is ondergebracht bij de misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid. Voor zover deze bepaling betrekking heeft op uitbuiting en de uitbuiting tevens vrijheidsbeneming behelst, is deze onderverdeling logisch. Voor zover de bepaling niet ziet op uitbuiting of de (beoogde) uitbuiting geen negatieve vrijheidsbeperking met zicht brengt, is de rubricering zwaar.
De maximale straf voor de ongekwalificeerde vorm van mensenhandel bedraagt 12 jaar. Dezelfde strafbedreiging staat op slavenhandel (274 Sr) en mensenroof (278 Sr). Die delicten vertonen overeenkomsten met de handelaar in sub 1: het gaat om het verhandelen of vervoeren van personen om hen vervolgens onder de macht van een ander (mogelijk een slavenhouder of uitbuiter) te brengen. De standaard strafmaat is dan ook niet onbegrijpelijk.
Als opgemerkt in § 6.4 (proportionaliteitsbeginsel) kan de mensenhandelaar die misbruik maakt van een kwetsbare positie of die geweld gebruikt, worden gestraft met 15 jaar gevangenisstraf (zie artikel 273f lid 3 Sr). En ook de exploitant kan worden gestraft met 15 jaar gevangenisstraf indien hij gebruik maakt van een kwetsbare positie of geweld. Het voldoen aan de standaard – en tevens de meest voorkomende beïnvloedingsmiddelen in sub 1 en sub 4 – levert dus eveneens een strafverzwarende kwalificatie op.1 Deze strafbedreiging lijkt niet consistent in vergelijking tot de delicten slavenhandel en mensenroof. Indien laatstgenoemde delicten gepaard gaan met misbruik of geweld, is immers geen strafverzwaring mogelijk. De handelaar en de exploitant zouden dan even zwaar gestraft kunnen worden als degene die een ander opzettelijk doodt (art. 287 Sr) of degene die een aanslag op het leven van leden van het Koninklijk huis, niet zijnde de Koning pleegt (art. 108 Sr). Het is niet goed uit te leggen waarom de desbetreffende beïnvloedingsmiddelen tot strafverzwaring zouden moeten leiden en voorts niet geheel verklaarbaar waarom deze varianten van mensenhandel tot de op een na zwaarste categorie delicten behoort.
De kinderhandelaar en -uitbater kunnen worden gestraft met maximaal 15 jaar gevangenisstraf. Lid 3 bepaalt namelijk dat bij minderjarige slachtoffers extra zwaar kan worden bestraft. Indien ervan uit wordt gegaan dat de handel in en uitbuiting van kinderen ernstiger is dan bij volwassen slachtoffers, is de verhoogde strafbedreiging begrijpelijk.
Dat de profiteur even zwaar gestraft kan worden als de daadwerkelijke handelaar of uitbuiter, namelijk met maximaal 12 jaar gevangenisstraf, is moeilijk uit te leggen. Degene die voordeel trekt van een situatie waar hij zelf geen hand in heeft gehad, is immers niet even strafwaardig als de veroorzaker van die situatie. Op dit punt is de rubricering niet vanzelfsprekend.
• Is het verbod strijdig met een andere regel?
De delictsomschrijving in artikel 273f Sr is niet strijdig met een andere regel, zeker niet nu de tekstueel breed omschreven bepaling, materieel strikter wordt gelezen.
Als de bepaling niet enger geïnterpreteerd zou worden, zouden sub 4 en sub 3 mogelijk wel botsen met andere regels. Sub 4 zou dan niet beperkt zijn tot vormen van uitbuiting. Het bewegen van een ander door een feitelijkheid tot arbeid, bijvoorbeeld door het laten tekenen van een arbeidsovereenkomst, zou dan kunnen worden gestraft. Uit artikel 7:610 BW volgt echter dat die betreffende gedraging is toegestaan. Sub 3 zou dan voorts strafbaar stellen het werven en medenemen van prostituees die vrijwillig in een ander land willen werken. Weliswaar geeft dit verbod uitvoering aan internationale wetgeving, maar het zou indruisen tegen het Nederlandse prostitutiebeleid. Dat is er immers op gericht om alleen de gedwongen dienstverlening binnen de sekssector te criminaliseren. Het zou bovendien op gespannen voet staan met EU recht daar het mogelijk een ongeoorloofde vorm van discriminatie oplevert tussen binnenlandse en buitenlandse prostituees.2
• Wordt gebruik gemaakt van consistente terminologie?
Artikel 273f Sr formuleert negen verschillende varianten van mensenhandel. In dit onderzoek zijn die negen varianten onderverdeeld in groepen: de handelaar, de exploitant, de importeur en exporteur van seksuele dienstverleners, de kinderhandelaar en kinderuitbater, en tot slot de profiteur. Alle varianten worden echter gekwalificeerd als ‘mensenhandel’. De term mensenhandel wordt aldus stelselmatig gebruikt, maar de vereisten om aan die kwalificatie te voldoen verschillen sterk tussen de diverse subleden. Het zou wat dat betreft consistenter zijn geweest om de kwalificatie ‘mensenhandel’ alleen te gebruiken bij sub 1 gericht op de handelaar. De overige subleden betreffen geen gelijksoortige gedragingen en zouden derhalve andersluidende kwalificaties verdienen. Ten aanzien van sub 4 zou dan de kwalificatie ‘uitbuiting’ kunnen worden gegeven. Een dergelijke kwalificatie toont veel duidelijker aan om wat voor gedraging het gaat en in welke fase de dader betrokken is geweest.
De onderdelen 4 en 5 en 7 bevatten bovendien een doleuze en een culpoze variant. Het had voor de hand gelegen de culpoze gedraging een andere kwalificatie en daaraan gekoppelde maximale strafmaat toe te kennen. Net zoals bijvoorbeeld de opzettelijke vrijheidsberoving in artikel 282 Sr (ten hoogste acht jaren gevangenisstraf) naast schuld aan vrijheidsberoving in artikel 283 Sr bestaat (ten hoogste zes maanden gevangenisstraf). De essentie van mensenhandel blijft dan beperkt tot situaties gericht op opzettelijke uitbuiting.
Zowel de kinderhandelaar als kinderuitbater krijgt de kwalificatie ‘mensenhandelaar’. De wetgever had er eveneens voor kunnen kiezen om kinderhandel en -uitbating apart strafbaar te stellen of in ieder geval handel en uitbuiting dan wel uitbating van elkaar te scheiden.
Tot slot zijn de subleden 6 tot en met 9 alle gericht tot profiteurs van mensenhandel. De profiteurs zijn evenwel niet op gelijke voet te scharen met de mensenhandelaren en uitbuiters zelf. De kwalificatie mensenhandel komt hier dan ook onevenredig zwaar voor. De gedragingen van de subleden onderling verschillen bovendien aanmerkelijk. In sub 6 trekt de profiteur voordeel van uitbuiting, maar bij de subleden 7 tot en met 9 hoeft dat helemaal niet het geval te zijn. Dat de diversiteit aan gedragingen onder hetzelfde delict vallen, lijkt met elkaar in tegenspraak.
• Past de strafbepaling in het wettelijke stelsel als geheel?
De handelaar werft een persoon met het oogmerk van uitbuiting. De daadwerkelijke uitbuiting hoeft nog niet te hebben plaatsgevonden. De wetgever had er eveneens voor kunnen kiezen enkel de uitbuiting als zelfstandig materieel misdrijf op te nemen en het verhandeltraject voorafgaand aan de uitbuiting door middel van ‘poging tot uitbuiting’ of ‘voorbereiding van uitbuiting’ strafbaar te stellen of mogelijk als ‘medeplichtig aan uitbuiting’. Het had op die manier gebruik kunnen maken van algemene strafrecht leerstukken die vroegtijdig strafrechtelijk optreden mogelijk maken. Tegelijkertijd zijn in het Wetboek van Strafrecht meerdere delicten te ontwaren die gedragingen in een vroegtijdig stadium zelfstandig strafbaar stellen – zonder dat gebruik wordt gemaakt van artikel 45 of 46 Sr (poging respectievelijk voorbereiding). Denk bijvoorbeeld aan artikel 134a Sr (voorbereiding terroristisch misdrijf) en artikel 205 Sr (aanwerven voor vreemde krijgsdienst). Ook bestaan delicten die zelfstandig vormen van deelneming strafbaar stellen (denk aan artikel 140 Sr) zonder dat gebruik wordt gemaakt van artikel 47 Sr. Daar komt bij dat de handel op zichzelf al een voltooid strafwaardig delict oplevert aangezien slachtoffers enkel door de manier van werven in hun vrijheid kunnen worden beperkt. De strafbaarstelling lijkt dan ook te passen in het wettelijke stelsel.
De reikwijdte van sub 4 inzake de exploitant is afhankelijk van de interpretatie van uitbuiting. Uitbuiting betreft immers een impliciet bestanddeel en als dit ruim wordt uitgelegd, kan de ernst van de gedragingen sterk uiteen lopen. Bij een brede interpretatie is de vraag of bepaalde handelingen niet beter ondergebracht kunnen worden bij andere delicten die de zwaarte van het strafbare feitencomplex beter benaderen. Het dwingen van iemand tot harmful exploitation, waarbij het economisch gewin gering is en de dwang van korte duur is, kan dan wellicht beter worden vervolgd en bestraft op grond van artikel 284 Sr: het dwingen van iemand om iets anders te doen, te dulden of te laten. Het gevolg ‘het beschikbaar stellen tot een lichte vorm van harmful exploitation’ hoeft niet bij voorbaat kwalijker te zijn dan ‘iets anders doen, niet doen, of dulden’. Er zijn mogelijk nog andere delicten die een beter alternatief bieden, zoals bedreiging (art. 285 Sr) en vrijheidsberoving of chantage (art. 282 en 282a Sr). Bij de artikelen 284, 285, 282 en 282a Sr draait de strafwaardigheid van de gedraging om de ingezette beïnvloedingsmiddelen. Het eventuele resultaat dat met de middelen wordt bereikt is niet of minder relevant. Bij de strafbaarstelling van de exploitant dient wel een gevolg te worden bewezen: een ander moet zijn bewogen tot ‘arbeid, diensten of orgaandonatie waarbij een uitbuitingssituatie kan worden verondersteld’. Als snel sprake is van uitbuiting, kan de strafwaardigheid van de handeling van de exploitant vooral zitten in de gebruikte beïnvloedingsmiddelen. Als dat het geval is, is de vraag of dwang, bedreiging, vrijheidsberoving of chantage geen betere afdoeningsmodaliteiten zijn. Die delicten benadrukken immers de handeling zelf en niet zozeer het resultaat.
Als het resultaat voor de exploitant erin is gelegen dat hij wederrechtelijk voordeel trekt van een situatie zijn voorts nog andere alternatieven denkbaar. Bijvoorbeeld de strafbaarstelling van oplichting in artikel 326 Sr. Het door misleiding bewegen van iemand zich beschikbaar te stellen tot arbeid kan immers evengoed worden aangemerkt als ‘het met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling, door listige kunstgrepen, bewegen van iemand tot het verlenen van een dienst’. En in het verlengde daarvan kan gedacht worden aan afpersing (art. 317 Sr) en afdreiging (art. 318 Sr). Bij al deze delicten worden beïnvloedingsmiddelen ingezet met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling.
Voortbordurend op voorgaande vraag, is het opmerkelijk dat onderdeel 4 zowel een doleuze als een culpoze variant omsluit. Het past niet in het wettelijke stelsel om deze gedragingen even krachtig te betitelen en te bestraffen. Een culpoze gedraging die ertoe leidt dat een slachtoffer wordt uitgebuit zou onder een nieuw te formuleren delict ‘schuld aan uitbuiting’ kunnen vallen, waar een minder zware straf op gezet zou kunnen worden.
Ook ten aanzien van de strafbaarstelling van de importeur en de exporteur van seksuele dienstverleners is de reikwijdte van de bepaling afhankelijk van de uitleg van het impliciete bestanddeel uitbuiting. Bij een ruime uitleg van uitbuiting, kan de strafwaardigheid van de gedraging vooral gelegen zijn in de manier van werven, dat is in het bijzonder het geval bij ontvoeren. Maar dan sluiten de delicten vrijheidsberoving (art. 282 Sr), gijzeling (art. 282a Sr) of schuld aan vrijheidsberoving (art. 283 Sr) mogelijk beter aan bij het strafbaar te stellen gedrag. Het zijn weliswaar allemaal misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid, maar de kern van het verwijt verschilt: bij mensenhandel staat de uitbuiting centraal, bij vrijheidsberoving alleen het ontnemen van de vrijheid van een ander, bij gijzeling vormt vrijheidsbeneming in combinatie met chantage de essentie. Aangezien zowel de vrijheidsberoving als de chantage ernstige verwijten zijn, wordt de combinatie dan ook zwaar gestraft (zwaarder dan ongekwalificeerde mensenhandel).
Waar onderdeel 1 is gericht op het verhandeltraject voorafgaand aan de uitbuiting, hebben de onderdelen 3 en 4 op de uitbuiting zelf betrekking. De rol bij die uitbuiting verschilt evenwel tussen sub 3 en 4. Het vierde onderdeel richt zich tot de uitbater en het derde onderdeel tot de vervoerder van seksuele dienstverleners die in een uitbuitingssituatie zitten. Sub 3 lijkt daardoor eerder op een vorm van medeplichtigheid aan uitbuiting, terwijl sub 4 de hoofddader aanpakt.
De strafbaarstelling van de kinderhandelaar in sub 2 past in het wettelijk systeem bij een strikte interpretatie van het ‘oogmerk van uitbuiting’. Een ruime interpretatie kan ervoor zorgen dat de reikwijdte van sub 2 te groot wordt. Zo is in § 3.4.6 reeds geconcludeerd dat de situatie waarbij een kind wordt ingezet als willoos werktuig bij het eenmalig plegen van een winkeldiefstal, als doen plegen kan worden afgedaan.
Verder is de vraag of sub 2 in de praktijk daadwerkelijk iets toevoegt aan sub 1. Weliswaar zijn bij het tweede onderdeel geen beïnvloedingsmiddelen vereist en bij het eerste onderdeel wel. Maar tegelijkertijd hebben die beïnvloedingsmiddelen zo een ruim bereik dat ze onvermijdelijk lijken te zijn voor het bewijs van een ‘oogmerk van uitbuiting’. Uitbuiting betreft oneerlijk economisch gewin al dan niet in combinatie met onvrijheid van een ander. De ene component van uitbuiting: onvrijheid kán alleen maar worden bereikt door dwang, bedreiging en misleiding. De andere component: oneerlijk economisch gewin gaat samen met misbruik. Bovendien zal het vaak niet heel lastig zijn bij minderjarige slachtoffers om – gelet op de jeugdige leeftijd – misbruik van een kwetsbare of afhankelijke positie te bewijzen.
Verder is het, zoals hiervoor al aan de orde kwam, opmerkelijk dat sub 5 gericht tot de kinderuitbater zowel over een doleuze als culpoze variant beschikt. Het past niet in het wettelijke stelsel om deze gedragingen even krachtig te betitelen en te bestraffen.3 Een culpoze gedraging die ertoe leidt dat een kind een orgaan laat weghalen, kan worden gebracht onder ‘lichamelijk letsel door schuld’, artikel 308 Sr. Een culpoze gedraging die ertoe leidt dat een minderjarige betaalde seksuele diensten verricht zou onder een nieuw te formuleren delict binnen de misdrijven tegen de zeden kunnen worden geschaard en als dit niet volstaat, zou eventueel een delict ‘schuld aan mensenhandel’ kunnen worden ingevoerd, waar duidelijk een minder zware straf op staat dan de opzettelijke mensenhandelvariant.
De wetgever heeft met de strafbaarstelling van de profiteur in ieder geval te weinig gebruik gemaakt van de mogelijkheden in het wettelijke stelsel. Zo zou de profiteur die heeft verdiend aan mensenhandel, nadat de mensen-handel heeft plaatsgevonden, kunnen worden vervolgd voor heling (artikel 416 en 417(bis) Sr).4 Immers, hij heeft een goed verkregen (geld) terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het van misdrijf afkomstig is (mensenhandel). Indien de profiteur tijdens mensenhandel voordeel geniet, kan hij eventueel als medeplichtige of medepleger worden vervolgd. Indien de profiteur het delict door een ander laat plegen zou hij als doenpleger of uitlokker kunnen worden vervolgd. Overeenkomstig de bevindingen ten aanzien van onderdeel 4 en 5, hoort de culpoze variant in sub 7 sowieso niet thuis onder artikel 273f Sr. En tot slot een herhaling van hetgeen in is opgemerkt in § 3.4.7 omtrent sub 9: het forceren van iemand om zijn opbrengsten af te staan uit vrijwillig verleende seksuele diensten dan wel orgaandonatie is geen mensenhandel, maar kan veel beter worden getypeerd als dwang (artikel 284 Sr), afpersing (artikel 317 Sr) of oplichting (artikel 326 Sr).