Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/2.4.5
2.4.5 Verbale gedragingen
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715408:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1975/76, 13756, nr. 4, p. 8; Mols 1986, p. 281; Reijntjes 1977, p. 431-432.
Prakken & Roef 2004, p. 215; Mulder 1976, p. 98-99; De Waard 1976, p. 302. Zie ook voetnoot 1085. Het ging om een uitbreiding naar gemeengevaarlijke delicten, mensenroof, vrijheidsberoving en moord.
Kamerstukken II 1985/86, 16813, nr. 8, p. 27. Zie ook: Simester e.a. 2014, p. 337.
De Vries-Leemans 1995, p. 157; Kamerstukken II 1982/83, 17975, nr. 3, p. 5. Zie ook: Aanhangsel Handelingen II 1979/80, nr. 1418, p. 2754; Handelingen II 1979/80, nr. 21, p. 1187; Handelingen I 1980/81, nr. 15, p. 465. Om diezelfde reden was in 1985 ook in het Wetboek van Militair strafrecht de reikwijdte van de samenspanningsregeling ingeperkt tot staatsgevaarlijke misdrijven (Kamerstukken II 1985/86, 16813 (R 1165), nr. 8, p. 27). Bij de selectie van militaire delicten waarbij samenspanning strafbaar zou moeten worden gesteld, heeft de wetgever gekeken naar (1) misdrijven waarop hoge straffen staan, zoals levenslang of 20 jaar gevangenisstraf, (2) misdrijven die naar hun aard beraamd kunnen worden en (3) misdrijven die buitengewoon ernstige gevolgen voor de staatsveiligheid kunnen opleveren. Daardoor vervalt de strafbaarheid van samenspanning tot 32 misdrijven, terwijl samenspanning tot 7 misdrijven strafbaar blijft.
Rutgers 1992, p. 293; Remmelink 1981, p. 232-233; Reijntjes 1977, p. 431.
Kamerstukken II 1985/86, 16813 (R 1165), nr. 8, p. 27.
Zijn vanuit functionalistisch perspectief dan ook verbale uitingen gedragingen in de zin van het daadstrafrechtbeginsel? Opsporingstechnisch zijn verbale gedragingen op het eerste gezicht niet erg problematisch. Zo zijn verbale gedragingen betrekkelijk eenvoudig op te sporen en te bewijzen, omdat ze uiterlijk waarneembaar zijn en doorgaans tot derden zullen zijn gericht. Zoals in de vorige alinea al werd opgemerkt, kunnen die derden uit de school klappen over wat ze hebben gehoord en kan de communicatie mogelijk worden afgeluisterd of onderschept, in het bijzonder als deze telefonisch, schriftelijk of digitaal plaatsvindt. Zoals in §2.3.5 al werd opgemerkt, zijn verbale gedragingen bovendien bij uitstek geschikt om intenties uit af te leiden. Ook zijn ze doorgaans van beperkte duur, zodat er tamelijk eenvoudig een tijd en plaats aan te koppelen is. De minister heeft in het verleden dan ook wel overwogen dat een uitbreiding van het samenspanningsleerstuk de nodige processuele voordelen zou opleveren, waarmee terrorisme mogelijk doelmatiger en eerder bestreden zou kunnen worden, doordat dan eerder sprake zou zijn van een verdenking.1 In vergelijkbare zin bepleitten Mulder en De Waard in 1976 een uitbreiding van de samenspanningsregeling onder verwijzing naar de procesrechtelijke voordelen van de inzet van dwangmiddelen in een vroeger stadium en de grotere mogelijkheden die dat zou opleveren om sleutelfiguren achter de schermen aan te kunnen pakken.2
Toch kleven er aan strafbare feiten die primair bestaan uit verbale gedragingen ook de nodige praktische problemen. Zo zet de wetgever zelf al vraagtekens bij de bewijsbaarheid van bijvoorbeeld samenspanning.3 Bij samenspanning moet duidelijk zijn op welk concrete strafbare feit de samenspanning is gericht, omdat samenspanning alleen bij bepaalde delicten strafbaar is.4 Als de betrokkenen zwijgen, zal het lastig zijn om vast te stellen wat de verdachten precies beoogden.5 De minister zag dan ook bij de totstandkoming van artikel 10a Opiumwet af van het aanvankelijke idee om de samenspanningsregeling uit te breiden, nu een enkele wilsovereenkomst dan al voldoende zou zijn voor strafbaarheid, wat onder meer bewijsproblemen zou veroorzaken.6 De samenspanningsovereenkomst zou lastig te bewijzen zijn zonder bekentenis of vervolghandelingen.7 Bovendien kan de genoemde inzet van opsporingsmiddelen weinig efficiënt uitpakken, omdat veel fout-positieven boven kunnen drijven en uit een enkele verbale gedraging niet altijd snel en eenvoudig af te leiden is of het gaat om grootspraak of om oprechte plannen. De terughoudendheid van de wetgever met het strafbaar stellen van verbale gedragingen is vanuit praktisch oogpunt dan ook goed te begrijpen.8