Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/4.3.2.1
4.3.2.1 Het doel in Nederland
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232366:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voor de betekenis van de openbare orde als ontbindingsgrond, zie Rechtbank Utrecht 3 september 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BX6613, JOR 2013/2, m.nt. E. Schmieman.
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/57; M.M. Mendel, Het statutaire doel van de Naamloze Vennootschap, Deventer: Kluwer 1971, p. 36; Groenewald 2001, p. 163.
Uit het verleden zijn stichtingen bekend met een zeer vaag omschreven doel. Zo had het Fonds Jan de Koning tot doel de aanwending van het vermogen ‘voor uitkeeringen voor liefdadige doeleinden’. De Hoge Raad (11 december 1914, NJ 1915/p. 238) oordeelde dat dit voldoende was. Ook bekend is de zaak rond het Papefonds (HR 9 januari 1925, NJ 1925/p. 327), dat tot doel had het verlenen van financiële steun naar het inzicht van het bestuur. Ook hier oordeelde de Hoge Raad dat het doel voldoende bepaalbaar was. De Bruijn merkt op dat deze stichtingen door de Hoge Raad ‘met kunst- en vliegwerk voor een dreigende ondergang zijn behoed’, A.R. de Bruijn, ‘Het nieuwe stichtingsrecht en het notariaat’, WPNR 1956/4443.
Ook wel ‘oneigenlijk doel’ of ‘tussendoel’ genoemd, Snijder-Kuipers 2010, p. 119.
‘Achterliggende doel’ wordt in deze betekenis eveneens gebruikt door Rechtbank Limburg 24 juli 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:6873, RN 2019/98.
En ook bij de vereniging, maar dat ligt buiten het bestek van dit werk.
Vgl. Huizink, GS Rechtspersonen, artikel 2:7 BW, aant. 7.1.
Zie ook Reijnen 2013.
De stichting dient met behulp van een daartoe bestemd vermogen een in de statuten vermeld doel te verwezenlijken. Dit doel mag niet bestaan uit het doen van uitkeringen aan bestuurders of oprichters en aan anderen niet anders dan uitkeringen met een ideele of sociale strekking (artikel 2:285 leden 1 en 3 BW). Het bepaalde in artikel 2:285 lid 3 BW wordt algemeen aangeduid als het uitkeringsverbod. Ook voor de bij dode opgerichte stichting is het uitkeringsverbod van groot belang. Het wel of niet kunnen doen van uitkeringen kan voor een erflater doorslaggevend zijn een stichting bij dode op te richten. Aan dit onderwerp is heel hoofdstuk 5 gewijd.
De wet stelt, met uitzondering van het verbod uit artikel 2:20 BW ̶ doel in strijd met de openbare orde ̶ geen beperkingen aan het doel.1 Zo is een ideëel doel niet verplicht. In 2.2.2.5 bleek al dat aan de verwijzing naar het ‘vermogen’ in artikel 2:285 BW niet te veel waarde moet worden toegekend.
Bij het doel gaat het om het volgens de statuten bedoelde werkterrein.2 Een vage doelomschrijving hoeft geen onoverkomelijk probleem op te leveren.3 Het werkterrein is meestal wel duidelijk. Het is iedereen duidelijk dat een stichting die feitelijk een ziekenhuis exploiteert, als statutaire doelomschrijving kan hebben ‘het bevorderen van de volksgezondheid’. Verschil dient immers te worden gemaakt tussen doelomschrijving en de wijze waarop het doel kan worden verwezenlijkt.4 De statutaire doelomschrijving geeft doorgaans in abstracte bewoordingen aan op welk gebied de stichting actief zal zijn. Deze doelomschrijving wordt vervolgens ingekleurd door een omschrijving van de activiteiten welke tot het bereiken van het doel kunnen leiden.
Naast het statutaire doel kan nog een doelbegrip worden onderscheiden, het achterliggende doel (ook wel ‘eigenlijke doel’ genoemd).5 Het meest duidelijk is dit achterliggende doel bij de commerciële rechtspersonen, NV en BV. Iedereen weet waar het bij de NV en de BV echt om gaat, wat het achterliggende doel is: geld verdienen (mede) voor de aandeelhouders.6 Hoe anders ligt dit bij de stichting.7
Bij een stichting zullen het statutaire doel en het achterliggende doel vaak samenvallen.8 Zo zal het achterliggende doel van de stichting die statutair tot doel heeft een kunstverzameling in stand te houden, vaak ook zijn het in stand houden van die kunstverzameling. Het verbod uit artikel 2:285 lid 3 BW komt in beeld als het achterliggende doel het doen van uitkeringen is, ongeacht wat het statutaire doel is. Een voorbeeld van een dergelijk geval is als een entrepreneurial lawyer een stichting opricht die tot doel heeft slachtoffers van een misstand bij te staan (claimstichting).9 Dan is de kans groot dat het achterliggende doel van de stichting is het voorzien in opdrachten en inkomsten voor het kantoor van de oprichtende advocaat.10