Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.6.2
VII.6.2 Jaarlijkse decharge
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242727:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de reikwijdte van decharge § VII.6.4.
Zie ook HR 6 december 2013, NJ 2014, 167 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2014/65 m.nt. Holtzer (Fortis); en OK 5 april 2012, JOR 2013/41 m.nt. Bulten (Fortis).
Dit betoogde ik eerder al in Bulten & Kreileman 2017, p. 417-444. Idem onder anderen Bier 2006, p. 46; en Huizink, GS Rechtspersonen,art. 2:9 BW, aant. 22.3.3.
Hoewel dit niet met zoveel woorden uit de tekst van art. 2:101/210 lid 3 BW blijkt, is dit wel de bedoeling van de wetgever, zie Kamerstukken II 2000/01, 27 483, 3, p. 1-2 (MvT). Vgl. ook best practice bepaling 4.1.3 van de Code.
Wet van 4 oktober 2001 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met kwijting aan bestuurders en commissarissen, Stb. 2001, 467.
Idem Handboek 2013/260, p. 567.
Zie de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht, Stb. 2012, 299. Voor de volledigheid wijs ik erop dat voorgesteld wordt deze uitzondering zodanig uit te breiden dat zij niet alleen geldt als alle aandeelhouders bestuurder zijn, maar ook als alle aandeelhouders commissaris zijn. Voorgesteld wordt voorts in art. 2:101 lid 5 BW eenzelfde uitzondering te maken voor NV’s waarvan alle aandeelhouders tevens bestuurder of commissaris van de vennootschap zijn. Zie het voorontwerp van het wetsvoorstel tot wijziging van Boek 2 BW van het Burgerlijk Wetboek in verband met het moderniseren van het recht inzake naamloze vennootschappen en het evenwichtiger maken van de verhouding tussen het aantal mannen en vrouwen in het bestuur en de raad van commissarissen van grote naamloze en besloten vennootschappen. Het voorontwerp is te raadplegen via www. internetconsultatie.nl/nvenmv.
Overigens kunnen de statuten deze alternatieve wijze van vaststelling van de jaarrekening uitsluiten. Voorzien de statuten in een dergelijke uitsluiting, dan leidt de ondertekening van de jaarrekening niet automatisch tot de vaststelling van de jaarrekening en dus ook niet tot het verlenen van decharge.
Ik schreef hier eerder al over met Bulten, zie Bulten & Kreileman 2017, p. 422-426.
Zie Hof Amsterdam (OK) 5 april 2012, JOR 2013/41 m.nt. Bulten (Fortis/VEB).
Zie onder meer HR 17 juni 1921, NJ 1921, p. 737 (Deen/Perlak); HR 20 juni 1924, NJ 1924, p. 1107 (Truffino); HR 20 oktober 1989, NJ 1990, 308 m.nt. Maeijer (Ellem); HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 m.nt. Maeijer (Staleman/Van de Ven); en HR 25 juni 2010, JOR 2010/227 (De Rouw/Dingemans q.q.).
Zie best practice bepaling 4.1.3 van de Code.
Zie hierover § IV.2.1.2.
Beckman, TVVS 2000/15. Idem Quist, WPNR 2011/6886, p. 419.
Evenzo Raaijmakers, in zijn noot onder HR 20 oktober 1989, AA 1990/5 (Ellem).
Zie ook Bier 2006, p. 45.
Boek 2 BW kent de term ‘decharge’ niet. De wettelijke term voor decharge is ‘kwijting’. Deze term komt onder meer voor in art. 2:101/210 lid 3 BW en art. 2:210 lid 5 BW. Laatstgenoemde bepalingen zien op de jaarlijkse decharge. Deze vorm van decharge keert standaard terug op de jaarlijkse algemene vergadering. De algemene vergadering baseert zich bij het verlenen van de jaarlijkse decharge allereerst op de informatie die aan haar als orgaan is verstrekt. De gedachte is dat zij de informatie daarnaast uit de jaarrekening kan halen.1
Een besluit waarbij het gehele bestuur wordt gedechargeerd, is denkbaar maar zeldzaam. Bij Fortis bijvoorbeeld, werd steeds decharge verleend aan ‘het bestuur’ als zodanig.2 Het ligt mijns inziens meer voor de hand decharge te verlenen aan de individuele leden van het bestuur. Het dechargebesluit ziet immers op de eventuele interne aansprakelijkheid van de afzonderlijke leden van het bestuursorgaan.3
Het vaststellen van de jaarrekening en het verlenen van decharge moeten tegenwoordig apart geagendeerd worden.4 Art. 2:101/210 lid 3 BW bepaalt sinds 1 december 2001 expliciet dat de vaststelling van de jaarrekening niet strekt tot decharge van een bestuurder.5 Omdat de decharge mede gebaseerd is op de jaarrekening, staat dit agendapunt doorgaans direct na de vaststelling van de jaarrekening op de agenda.6
Voor BV’s waarvan alle aandeelhouders tevens bestuurder zijn, maakt Boek 2 BW sinds 1 oktober 2012 een uitzondering.7 Decharge hoeft daar niet afzonderlijk geagendeerd te worden. Met de ondertekening (en dus de vaststelling) van de jaarrekening zijn de bestuurders op grond van art. 2:210 lid 5 BW per direct gedechargeerd.8
Uit het voorgaande volgt dat de algemene vergadering bevoegd is de bestuurders jaarlijks te dechargeren.9 Dit geldt eveneens voor een NV of BV met een one tier board.10 De bevoegdheid van de algemene vergadering vloeit voort uit de rechtspraak van de Hoge Raad.11 Ook de Code gaat hiervan uit.12 Dat de algemene vergadering bevoegd is decharge te verlenen, staat echter niet met zoveel woorden in de wet. Is daarom niet (ook) een ander orgaan bevoegd?
Huizink meent van wel. Volgens hem is het orgaan dat bevoegd is tot benoeming en ontslag van bestuurders bevoegd de bestuurders decharge te verlenen.13 In de regel is dat de algemene vergadering, maar dat is niet altijd het geval. Neem bijvoorbeeld art. 2:244 lid 1 BW. Op grond van deze bepaling kunnen de statuten de bevoegdheid tot benoeming toebedelen aan een vergadering van houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding.14 Ik kan mij niet in de opvatting van Huizink vinden. Met decharge doet de vennootschap afstand van recht; zij kan zich niet langer op de bestuurder verhalen in verband met het door laatstgenoemde gevoerde (onjuiste) beleid en gehouden toezicht. Beckman wijst er terecht op dat het verlenen van decharge neerkomt op het beschikken over een vermogensrecht van de vennootschap. Het vermogen van de vennootschap komt uiteindelijk toe aan de aandeelhouders.15 Dit pleit ervoor dat de algemene vergadering steeds bevoegd is decharge te verlenen. Daarnaast knoopt de wet in art. 2:101/210 lid 3 BW en art. 2:210 lid 5 BW aan bij de vaststelling van de jaarrekening. Daartoe is de algemene vergadering bevoegd. Het ligt dan voor de hand dat zij tevens bevoegd is decharge te verlenen.16 Tot slot wijs ik op art. 2:107/217 lid 1 BW. Zoals ik in § IV.2.1.4 al schreef, komen op grond van deze bepaling alle bevoegdheden die niet aan het bestuur of anderen zijn toegekend, toe aan algemene vergadering.17