Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.6.4
VII.6.4 De reikwijdte van decharge
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242892:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Hetzelfde geldt voor inkoop van eigen aandelen ex art. 2:207 BW en kapitaalvermindering met terugbetaling op aandelen ex art. 2:208 BW, mits de decharge daar op ziet. Het systeem van laatstgenoemde bepalingen is immers hetzelfde als dat van art. 2:216 BW.
Ook de aandeelhouder die voor het dechargebesluit heeft gestemd, behoudt mijns inziens het recht om de niet-uitvoerende bestuurder aan te spreken op grond van art. 6:162 BW. Zie hierover ook Bulten & Kreileman 2017, p. 436-437.
Zie HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 m.nt. Maeijer (Staleman/Van de Ven). Zie ook HR 17 juni 1921, NJ 1921, p. 737 (Deen/Perlak); HR 20 juni 1924, NJ 1924, p. 1107 (Truffino); en HR 20 oktober 1989, NJ 1990, 308 m.nt. Maeijer (Ellem) in de aanloop naar Staleman/Van de Ven.
Zie HR 20 oktober 1989, NJ 1990, 308 (Ellem). Hoewel het in deze zaak niet ging om een one tier board, meen ik dat hetzelfde geldt voor de niet-uitvoerende bestuurder. Laatstgenoemde heeft immers de hoedanigheid van bestuurder.
HR 25 juni 2010, NJ 2010, 373; JOR 2010/227 m.nt. Wezeman (De Rouw/Dingemans q.q.).
Evenzo De Kluiver, WPNR 1997/6273, p. 377. Vgl. ook Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 51.20, p. 1158-1159, die opmerkt dat het voor hem geen gegeven is dat het bekendheidsvereiste wel een rol speelt bij de jaarlijkse decharge, maar niet bij de finale kwijting.
HR 20 oktober 1989, NJ 1990, 308 (Ellem).
Zie over ‘gebruik van meerderheidsmacht op onredelijke wijze’ of ‘misbruik van meerderheidsmacht’ in deze situatie ook Maeijer in zijn noot onder HR 20 oktober 1989, NJ 1990, 308 (Ellem).
Is de niet-uitvoerende bestuurder decharge verleend, dan kan de vennootschap hem dus niet meer aanspreken wegens een onbehoorlijke vervulling van zijn taak. Doet de vennootschap dat toch, dan kan de niet-uitvoerende bestuurder zich in beginsel op de verleende decharge beroepen. In beginsel, want de reikwijdte van de verleende decharge is beperkt.
Allereerst werkt een decharge slechts intern. Dit betekent dat zij enkel het vestigen van interne aansprakelijkheid blokkeert. Verleent de vennootschap de niet-uitvoerende bestuurder decharge, dan geeft zij primair het recht prijs een beroep te doen op art. 2:9 BW. Daarnaast ontheft een verleende decharge de niet-uitvoerende bestuurder van aansprakelijkheid uit hoofde van onrechtmatige daad jegens de vennootschap.1 Decharge kan tot slot betrekking hebben op (dividend)uitkeringen aan aandeelhouders. Is dat het geval, dan staat zij ook in de weg aan de aansprakelijkheid van de niet-uitvoerende bestuurder op grond van art. 2:216 lid 3 BW.2
Een verleende decharge tornt niet aan de mogelijkheden van derden om de niet-uitvoerende bestuurder aan te spreken. Zo kunnen schuldeisers en aandeelhouders de niet-uitvoerende bestuurder mogelijk met succes aansprakelijk stellen op grond van art. 6:162 BW.3 Voor de curator bepaalt het zesde lid van art. 2:138/248 BW expliciet dat een verleende kwijting aan het instellen van de vordering wegens kennelijk onbehoorlijke taakvervulling geen strobreed in de weg legt.
Tot slot strekt een verleende decharge zich slechts uit over hetgeen de aandeelhoudersvergadering weet. Zij ziet niet op gegevens die niet uit de jaarrekening blijken of anderszins aan de algemene vergadering bekend zijn gemaakt. De decharge strekt zich evenmin uit over gegevens waarover een individuele aandeelhouder uit anderen hoofde – buiten het verband van de algemene vergadering – de beschikking had, aldus de Hoge Raad in Staleman/Van de Ven.4 De verleende decharge strekt zich dus uit over het handelen en nalaten van de niet-uitvoerende bestuurder waar de algemene vergadering bekend mee is. Weet zij dat er iets ‘niet pluis’ is en weerhoudt dat haar er niet van de niet-uitvoerende bestuurder decharge te verlenen, dan kan de vennootschap hem vervolgens niet meer aanspreken voor die fouten. Dit geldt zelfs indien de niet-uitvoerende bestuurder de vennootschap opzettelijk nadeel heeft toegebracht.5 Voor ‘abnormale handelingen die niet direct verband houden met de bedrijfsuitoefening’ is het sinds De Rouw/Dingemans q.q. niettemin verstandig om expliciet decharge te verlenen.6
Hetgeen ik hiervoor schreef, geldt niet alleen voor de jaarlijkse decharge. Omdat finale kwijting eveneens een vorm van decharge is, is de reikwijdte van die vorm van decharge mijns inziens hetzelfde. Dit betekent dat ook een finale kwijting zich slechts uitstrekt over hetgeen het dechargerende orgaan weet.7 Dit volgt ook uit Ellem, waarin de facto sprake was van een finale kwijting.8
Valt het handelen of nalaten onder de reikwijdte van de verleende decharge, dan is het nog altijd oppassen geblazen. Een dechargebesluit is namelijk niet absoluut. Zo kan een beroep op een verleende decharge in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 lid 2 BW, bijvoorbeeld als het dechargebesluit door ‘misbruik van meerderheidsmacht’ tot stand is gekomen.9 Ook kan het dechargebesluit in dat geval worden aangevochten. Wordt het dechargebesluit aangetast, dan herleeft de mogelijkheid voor de rechtspersoon de niet-uitvoerende bestuurder aansprakelijk te stellen.