Einde inhoudsopgave
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/I.2.3.1
I.2.3.1 De verschillen tussen bestuur en rechtspraak
mr. D.W.M. Wenders, datum 27-09-2010
- Datum
27-09-2010
- Auteur
mr. D.W.M. Wenders
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.m.: Bovend'Eert 2008, p. 2-3; Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2008, p. 545; S. Pront-van Bommel, Bestuursrechtspraak. Voorstellen voor modernisering van de bestuursrechtspraak, Den Haag: Bju 2002, p. 17; J.H.W. Notten, De Algemene wet bestuursrecht en het maken van bezwaar. Zwaartepunten van een bestuurlijke voorprocedure, Den Haag: Sdu 1998, p. 114; J.M.H.F. Teunissen, 'Toetsing ex tune of ex nunc?', in: J.B.J.M. ten Berge e.a. (red.), Nieuw bestuursprocesrecht, Deventer: Kluwer 1992, p. 113.
Zie voor een beschrijving van de leer van de machtenscheiding of beter gezegd verdeling van machten zoals voorgestaan door Montesquieu, alsmede een beschrijving van de uitwerking van die leer in Nederland o.m.: A.F.M. Brenninkmeijer, De toegang tot de rechter. Een onderzoek naar de betekenis van onafhankelijke rechtszraak in een democratische rechtstaat, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1987, p. 125-161.
Bovend'Eert 2008, p. 7-12; R.M.M. Kleijkers, 'Over captatie en legitimatie: de benoeming van rechters anno 2006', in: A.W. Heringa, A.M.L. Jansen, E.C.H.J. van der Linden, L.F.M. Verhey (red.), Het bestuursrecht beschermd (liber amicorum F.A.M. Stroink), Den Haag: Sdu 2006, p. 33; K.F. Bolt, Het rechterlijk toetsingsmoment in het bestuursprocesrecht (diss. Groningen), Den Haag: Bju 2005, p. 18; P.P.T. Bovend'Eert, 'Het rechtsbeginsel van de machtenscheiding. Ontwikkelingen rond een taai constitutioneel beginsel', in: R.J.N. Schliissels e.a. (red.), In beginsel: over aard, inhoud en samenhang van rechtsbeginselen in het bestuursrecht, Deventer: Kluwer 2004, p. 248-249; P.P.T Bovend'Eert, 'De modernisering van de rechterlijke organisatie: integraal management als staatsrechtelijke probleem', in: Publicaties Staatstrechtkring, Organisatie van de rechtspraak, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1999, p. 6.
Bovend'Eert 2008, p. 9 en 229; Van der Pot-Donner, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, 15 druk bewerkt door D.J. Elzinga en R. de Lange, Deventer: Kluwer 2006, p. 631; Bovend'Eert 2004, p. 248-249; L.F.M. Verhey, De onafhankelijkheid van de rechter naar Nederlands recht (preadvies Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 2001, p. 20; Bovend'Eert 1999, p. 6; R.J.G.M. Widdershoven, Gespecialiseerde rechtsgangen in het administratieve recht (diss. Utrecht), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1989, p. 21; Brenninkmeijer 1987, p. 10-11.
Bovend'Eert 2008, p. 9; Van der Pot/Donner 2006, p. 631. Zo ook Widdershoven die wijst op de verwevenheid tussen de wetgevende macht en het bestuur, Widdershoven 1989, p. 21.
Bovend'Eert 2008, p. 9-10; Van der Pot/Donner 2006, p. 631; Bovend'Eert 2004, p. 249-250.
Bovend'Eert 2008, p. 9-10; Kleijkers 2006, p. 33; Verhey 2001, p. 20; M.R. Wijnholt, 'Selectie en benoeming van onafhankelijke rechters in het Koninkrijk', in: Publikaties van de Staatsrechtkring, Organisatie van de rechtspraak, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1999, p. 73-74; Bovend'Eert 1999, p. 7; Brenninkmeijer 1987, p. 17. Zoals o.m. Verhey aangeeft is echter ook de rechterlijke macht onderworpen aan een zekere controle door de andere staatsmachten en gelden ook ten aanzien van de rechterlijke macht bepaalde `checks and balances'. Er bestaat bijvoorbeeld indirect door middel van de begroting en het ministeriële toezicht controle door de regering of minister via de Raad voor de Rechtspraak op de bedrijfsvoering en (voor een deel) ook de organisatie en de werkwijze van de gerechten, zie hierover: Bovend'Eert 2008, p. 219 en 229; Bovend'Eert 2004, p. 257; Verhey 2001, p. 51-52; P.P.T Bovend'Eert, `De modernisering van de rechterlijke organisatie als staatsrechtelijke probleem', in: A.K. Koekkoek e.a. (red.), Organisatie van de rechtspraak, Deventer: W.E.J. Tjeek Willink 1999, p. 20-21. Zie over de organisatie van de rechtspraak en de recente wijzigingen, Bovend'Eert 2008, hfst. 10, p. 205 e.v; Verhey 2001, p. 28 e.v.
Voor administratieve rechtspraak geldt, in tegenstelling tot burgerlijke rechtspraak en strafrechtspraak, dat deze krachtens artikel 112 lid 2 Grondwet ook kan worden opgedragen aan andere rechterlijke instanties dan de rechterlijke macht, zie hierover: Van der Pot/Donner 2006, p. 598-600; Stroink 1993, p. 7.
C.J.A.M. Kortmann, Constitutioneel recht, Deventer: Kluwer 2008, p. 363-366; Bovend'Eert 2004, p. 257.
Widdershoven kwalificeert bijvoorbeeld het administratief beroep en bezwaar o.m. vanwege het ontbreken van onafhankelijkheid expliciet niet als rechtspraak, Widdershoven 1989, p. 44. Zie verder: Bovend'Eert 2008, p. 4; Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht, Den Haag: Elsevier 2008, p. 537; Brenninkmeijer 1987, p. 7. Voor ogen moet echter worden gehouden dat de grenzen tussen rechtspraak en bestuur niet altijd scherp zijn te trekken, zie: Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2008, p. 6; Van der Pot/Donner 2006, p. 632.
Zie voor een beschrijving vanuit historisch oogpunt: PG Awb II, p. 73-75. Verder: B.J. Schueler e.a., Definitieve geschilbeslechting door de bestuursrechter (Derde evaluatie van de Awb), Den Haag: BJu 2007, p. 24-30; Verhey 2001, p. 24; N. Verheij, `De toegang tot de rechter in het bestuursrecht', in: A.A. Lawson & E. Myjer (red.), 50 jaar EVRM, NJCM-Bulletin 2000/1, p. 191; P. Nicolaï, B.K. Olivier, I.C. van der Vlies, L.J.A. Damen, B.J. Schueler, Bestuursrecht, Amsterdam: Factotum 1997, p. 581-583.
Schueler e.a. 2007, p. 28-30; Kleijkers 2006, p. 33; VAR-Commissie Rechtsbescherming, De toekomst van de rechtsbescherming tegen de overheid. Van toetsing naar geschilbeslechting, Den Haag: BJu 2004, p. 139; Verheij 2000, p. 188-189; Stroink 1993, p. 61.
Rapport VAR-Commissie Rechtsbescherming 2004, p. 32; L.M. Koenraad & F.F.W. Brouwer, `De bezwaar-schriftprocedure heroverwogen (I). Het karakter van de beslissing op bezwaar', Gst. (2001) 7151, p. 506; Brenninkmeijer 1987, p. 38. Vgl. ook: Schueler e.a. 2007, p. 28.
Er zijn echter in de doctrine ook andere geluiden te horen. Zie bijvoorbeeld Brenninkmeijer die de beeldspraak `de rechter mag niet op de stoel van het bestuur gaan zitten. een cliché noemt dat niet langer leerstellige betekenis moet hebben. Uit een oogpunt van am. finale geschilbeslechting zou de rechter de keuzevrijheid die het bestuur soms heeft moeten (kunnen) invullen, A.F.M. Brenninkmeijer, 'Een leerstellig cliché', in: T. Hoogenboom & L.J.A. Damen, In de sfeer van administratief recht, Utrecht: Lemma 1994, p. 31. Vgl. ook: Rapport VAR-Commissie Rechtsbescherming 2004, p. 68-69.
B.J. Schueler e.a., Definitieve geschilbeslechting door de bestuursrechter (Evaluatieonderzoek Awb In), Den Haag: Bju 2007, p. 1; Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2008, p. 570.
N. Verheij, 'Tussen toen en nu. Het relevante tijdstip voor besluitvorming in bezwaar en toetsing in beroep', JB-plus 2003, p. 28-29; Bolt 2005, p. 9.
Op dat standpunt stelt ook de wetgever zich in het kader van vergoeding van de kosten gemaakt in de be-zwaarfase, Kamerstukken II 1999/00, 27 024, nr. 3, p. 4. Gesteld wordt in de toelichting dat de bezwaarschrift-procedure de mogelijkheid biedt gemaakte fouten snel en eenvoudig te herstellen. Vervolgens wordt opgemerkt dat als dat gebeurt eigenlijk niet gesproken kan worden van een achteraf onjuist gebleken besluit omdat de bezwaarschriftprocedure deel uitmaakt van de bestuurlijke besluitvorming en het bestuur dus uiteindelijk geen onjuist besluit heeft genomen.
PG Awb II, p. 196. Deze overwegingen van de wetgever werden gedaan in het kader van de vraag of twee feitelijke instanties in het bestuursrecht nodig zijn.
PG Awb II, p. 67. De wetgever plaatst deze opmerking in het nader rapport wederom in het kader van de vraag naar de noodzaak voor rechtspraak in twee feitelijke instanties. Zie in vergelijkbare zin: Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2008, p. 545.
Verheij 2003, p. 28-29.
Bolt 2005, p. 18; Rapport VAR-Commissie Rechtsbescherming 2004, p. 122-123; Verheij 2003, p. 26; Teunissen 1992, p. 113. In par. 4.3.2 wordt nader ingegaan op de ex nunc-beoordeling door het bestuur en de ex tunc-toetsing door de rechter alsmede op het onderscheid daartussen.
Schueler e.a. 2007, p. 50; Rapport VAR-Commissie Rechtsbescherming 2004, p. 32; Koenraad & Brouwer 2001, p. 506.
Zie bijvoorbeeld Notten in verband met de vraag naar de noodzaak voor een verbod van vooringenomenheid voor het bestuur in artikel 2:4 van de Awb. Hij plaatst vanuit de eigen aard van het bestuur vraagtekens daarbij; Notten 1998, p. 114.
Schreuder-Vlasblom 2008, p. 55-56.
Schreuder-Vlasblom 2008, p. 56. Overigens wordt uit de hierboven aangehaalde passage van SchreuderVlasblom niet meteen duidelijk of deze ook betrekking heeft op de bestuurlijke voorprocedures. Die veronderstelling is echter waarschijnlijk nu zij het niet eens lijkt te zijn met een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 juli 2001, NJB 2001/22, p. 1625; ook gepubliceerd in .7B 2001/256; AB 2001/252 m.nt. FP onder AB 2001/253; RSV2001/205; USV2001/199. In die uitspraak overweegt de Centrale Raad dat in het midden kan worden gelaten of de in die zaak aan de orde zijnde elementen van artikel 6 EVRM ook in de bezwaarfase rechtstreeks van toepassing zijn. Er is in casu geen sprake van een schending van art. 6 EVRM omdat de procedure bij de rechtbank voldoet aan de uit dit artikel voortvloeiende vereisten. Schreuder-Vlasblom acht de aan de rechtspraak van het EHRM ontleende gedachte dat de besluitvorming gebrekkig mag zijn, mits die gebreken geheeld worden doordat de procedure voor de rechter voldoet aan alle vereisten voortvloeiend uit art. 6 EVRM, onjuist. Zij stelt dat de besluitvorming niet gebrekkig is, maar zich volgens andere normen voltrekt.
E. Helder, 'Rechtsbescherming door gemeente: zijn er klachten of bezwaren?, in: H.A. Brasz en J.G. Steenbeek, Klachten en bezwaren tegen de gemeente, Den Haag: VUGA 1988, p. 26.
De staatsrechtelijke context
Om de verschillen en overeenkomsten tussen het bestuur en de (bestuurs)rechter in het juiste perspectief te kunnen plaatsen, is het van belang een helder beeld te hebben van de verhouding tussen deze organen in ons staatsbestel. De heersende overtuiging in de doctrine is dat de taakuitoefening door het bestuur verschilt van de taakuitoefening door de (bestuurs)rechter.1 Het in die opvatting vooropgestelde onderscheid tussen de rechterlijke en bestuurlijke werkzaamheid (in de voorprocedure) valt te herleiden tot de opvattingen omtrent de verhouding tussen de rechter en het bestuur in het algemeen. In het bijzonder speelt daarbij de staatsrechtelijke leer omtrent de scheiding van staatsmachten, de Trias Politica, een ro1.2 Hoewel een strikte scheiding van staatsmachten in Nederland niet heeft plaatsgevonden en veeleer sprake is van verdeling van machten3, neemt de rechter, als rechtsprekende macht, de meest van de beide andere machten functioneel gescheiden en onafhankelijke positie in.4 De wetgevende en uitvoerende functie zijn in Nederland immers niet geheel van elkaar gescheiden; parlement en regering stellen krachtens artikel 81 Grondwet bijvoorbeeld gezamenlijk de wetgeving vast.5 De positie van de wetgevende en uitvoerende macht ten opzichte van elkaar wordt veeleer gekenmerkt door een systeem van `checks and balances' waardoor beide machten in de uitoefening van bevoegdheden met elkaar zijn verbonden.6 De positie van de rechtsprekende macht ten opzichte van de beide andere staatsmachten wordt daarentegen in mindere mate gekenmerkt door die mate van verbondenheid, hoewel ook hier geen sprake is van absolute onafhankelijkheid.7 De rechtsprekende macht wordt uitsluitend uitgeoefend door de rechterlijke macht of rechterlijke instanties8 en dient functioneel onafhankelijk te zijn, dat wil zeggen dat de taakuitoefening buiten de invloedssfeer of inmenging van (in het bijzonder) de beide andere staatsmachten dient te blijven.9 Zoals aangegeven, is naar algemeen wordt aangenomen onafhankelijkheid van de wetgever en het bestuur, als uitvoerende macht, een vereiste om te kunnen spreken van rechtspraak.10
De opvattingen omtrent staatsrechtelijke verhouding tussen in het bijzonder het bestuur, als uitvoerende macht en de rechter, als rechtsprekende macht, hebben geruime tijd tot gevolg gehad dat het bestuur in beginsel verantwoording diende af te leggen aan democratisch gelegitimeerde organen en niet aan de (onafhankelijke) rechter.11 Thans is het echter vanzelfsprekend, vanuit rechtsstatelijk oogpunt, dat het bestuurshandelen onderworpen is aan controle door de onafhankelijke bestuursrechter.12
Gescheiden functies
Hoewel de toetsing door de rechter van het bestuurlijk handelen door onder meer de ontwikkeling van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is uitgebreid, blijft echter, gelet op de staatsrechtelijke verhouding tussen rechter en bestuur, ook thans het algemeen onderschreven uitgangspunt dat de rechter de beleidsruimte die het bestuur toekomt respecteert.13 In die benadering staat voorop dat de rechter niet 'op de stoel van het bestuur' dient te gaan zitten en de taakuitoefening door het bestuur niet behoort over te nemen.14De (bestuurs)rechter dient zich te beperken tot toetsing van besluiten op rechtmatigheid.15 Er bestaat derhalve ook een scheiding in werkzaamheid tussen de verschillende organen. Illustratief voor dit onderscheid tussen bestuur (in het algemeen) en (bestuurs)rechtspraak is hetgeen Verheij, zij het in een iets andere context, opmerkt:
”Toetsen is wat bestuursrechters doen. Toetsen is nagaan of iets — in dit geval een besluit — aan een maatstaf voldoet. (...) Het bestuur, daarentegen, moet niet nagaan of genomen besluiten aan maatstaven voldoen, maar besluiten nemen. Het bestuur toetst niet, maar beslist."16
Dat uitgangspunt geldt ook voor de bestuurlijke voorprocedures. De voorprocedures maken onderdeel uit van de bestuurlijke taakuitoefening en worden als zodanig ook beschouwd als een onderdeel, nl. het sluitstuk, van de besluitvormingsfase.17 Bij de bestuurlijke voorprocedures wordt doorgaans ook de nadruk gelegd op de bestuurlijke elementen daarin. De wetgever stelt zich op die grond eveneens op het standpunt dat er een onderscheid bestaat tussen de procedures bij de rechter en de bestuurlijke voorprocedures. In het kader van de tweede tranche van de Awb wordt het volgende opgemerkt:
”Heroverwegingsprocedures en de uitgebreide en zware voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4A zijn en blijven op bestuurlijke besluitvorming gerichte procedures en om die reden principieel [curs. DW] te onderscheiden van op rechtmatigheidstoetsing van bestuursbesluiten gerichte procedures bij de onafhankelijke rechter."18
Elders is eenzelfde overweging, toegespitst op de bezwaarschriftprocedure als voorprocedure, terug te vinden. Daar wordt benadrukt dat de bezwaarschriftprocedure en de rechterlijke procedure geen uitwisselbare grootheden zijn.19
Klassieke verschillen
In eerste instantie lijkt de werkzaamheid van het bestuur in een voorprocedure ook typisch bestuurlijk te zijn. Een bestuurlijke voorprocedure is immers een procedure die gevolgd wordt bij het bestuur voorafgaand aan een procedure bij de bestuursrechter. De uitkomst van die procedure bij het bestuur is een besluit. Daarin schuilt een op het eerste gezicht essentieel verschil ten opzichte van (bestuurs)rechtspraak en de procedure bij de (bestuurs)rechter. Het bestuur neemt besluiten en bestuurt (ook in de bestuurlijke voorprocedure) mede op grond van beleidsoverwegingen, terwijl de bestuursrechter deze besluiten aan het recht toetst en zo doende rechtspreekt.20 Zoals aangegeven, is dit een uitgangspunt dat te herleiden valt tot de staatsrechtelijke verhouding tussen bestuur en rechter en de daarmee samenhangende afbakening van de taakuitoefening van het bestuur en de taakuitoefening van de rechter.
Dit uitgangspunt vormt de basis voor een aantal andere traditioneel aangewezen verschillen tussen of kenmerken van beide procedures. Te denken valt dan in eerste instantie aan de ex nunc-beoordeling door het bestuur versus de ex tunc-toetsing door de bestuursrechter.21 Of aan een ander (met het voorgaande samenhangend) uitgangspunt: het feit dat de bestuursrechter (thans op grond van artikel 8:72, vierde lid van de Awb) slechts zelf in de zaak mag voorzien, indien maar één rechtens juiste beslissing overblijft en daarbij derhalve het primaat van het bestuur respecteert.22 Dit laatste uitgangspunt is de laatste tijd in de rechtspraak wel aan enige versoepeling onderhevig vanwege het belang van finale geschilbeslechting. Daarop kom ik in par. 4.3.9 van dit deel nog nader terug. Met name het gegeven dat het bestuur, voor zover de wet daartoe ruimte biedt, in het kader van de besluitvorming (ook in de voorprocedure) beleidsaspecten dient mee te nemen, weegt zwaar in de benadering waarin het onderscheid tussen besturen en rechtspraak benadrukt wordt. Op basis van deze verschillen lijkt de aanname dat er fundamentele verschillen bestaan tussen bestuur en rechtspraak ook gerechtvaardigd.
Verschil in werkzaamheid, verschil in eisen
Indien aangenomen wordt dat bestuur en rechtspraak wezenlijk verschillen en indien de bestuurlijke elementen in de voorprocedures vooropgesteld worden, ligt het in het verlengde van die opvatting in de rede dat daarop — alleen of vooral — vereisten die gelden voor het bestuur van toepassing (kunnen) zijn. Voor de bestuurlijke taakuitoefening gelden specifiek op de (eigen) aard ervan toegespitste vereisten.23 Illustratief voor deze benadering is de volgende passage van Schreuder-Vlasblom:
”Bij de aanwending van bestuursbevoegdheden rijzen steeds nieuwe vragen waarvan het belang de individuele zaak overstijgt en die een nadere uitwerking van de normatieve grondslag voor beschikkingen vergen. Normstelling los van de conrete zaak, ligt niet op de weg van de rechter (art. 12 Wet AB) en evenmin rechtsvorming die politiek-maatschappelijke afwegingen en beleidskeuzen vergt. De rechter kan deze beleids- en besluitvorming wel aan een geobjectiveerde toetsing onderwerpen, maar gebreken er aan kan hij niet herstellen (par. 1.2). Het recht dat die besluitvorming beheerst en waaraan hij zijn maatstaven ontleent, is van andere aard en strekking dan het regime voor de rechtspleging, neergelegd en uitgewerkt in (de rechtspraak op) art. 6 EVRM, al direct de onpartijdigheid en onafhankelijkheid. Bestuurlijke beleids- en besluitvorming is geen rechtspraak en kan niet voldoen aan de daaraan gestelde eisen. Juist daarom kan de rechter haar ook niet verrichten."24
Schreuder-Vlasblom legt een verband met de eisen die de taakuitoefening door het bestuur en de rechter beheersen. Naar haar mening gelden de normen van artikel 6 EVRM slechts de rechterlijke toetsing en niet de besluitvorming zelf.25 Sommige andere auteurs menen eveneens dat voor de bezwaarschriftprocedure procedurele waarborgen dienen te gelden, maar dat deze dienen aan te sluiten bij het bestuurlijke karakter (en tweeledige karakter) van een bestuurlijke voorprocedure. Daarmee worden dan — al dan niet terecht — minder vergaande procedurele eisen bedoeld dan die gelden voor de rechterlijke procedures. Helder meent bijvoorbeeld dat, teneinde het bestuurlijke karakter van de procedure te verzekeren of te bewaken, de procedurele waarborgen in de bezwaarschriftprocedure minimaal moeten zijn.26