Einde inhoudsopgave
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/I.2.3.3
I.2.3.3 Verschillende eisen gesteld door de bestuursrechter
mr. D.W.M. Wenders, datum 27-09-2010
- Datum
27-09-2010
- Auteur
mr. D.W.M. Wenders
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
CRvB 13 februari 2002, USZ 2002/98 m.nt. red.; CRvB 13 februari 2002, USZ 2002/100 m.nt. red; CRvB 13 februari 2002, USZ 2002/101 m.nt. Driessen; AB 2002/96 m.nt. FP.
CRvB 13 februari 2002, USZ 2002/101 m.nt. Driessen; AB 2002/96 m.nt. FP. Appellant, het Lisv, had kort gezegd aangevoerd dat de bestuurlijke voorprocedure gelet op jurisprudentie van het EHRM niet aan de eisen van art. 6 EVRM hoeft te voldoen als er een vervolgfase is die wel volledig recht doet aan de eisen van dit artikel.
Beide annotatoren genoemd in de vorige noot stellen zich — in mijn ogen ten onrechte — in hun noot bij de uitspraak op het standpunt dat de Raad in deze uitspraak uitdrukkelijk kiest voor de opvatting dat artikel 6 EVRM slechts van toepassing is op de rechterlijke toetsing en niet op de bestuurlijke voorprocedure.
In de aangehaalde zaak geeft de Raad overigens niet expliciet aan om welk vereiste van artikel 6 EVRM het gaat. Uit een andere uitspraak over dezelfde materie, nl. art. 88c WAO (oud), van de Centrale Raad van Beroep van 21 juli 2001, NJB 2001/22, p. 1625; ook gepubliceerd in JB 2001/256; AB 2001/252 m.nt. FP onder AB 2001/253; RSV 2001/205; USV 2001/199 blijkt echter dat het o.m. gaat om het vereiste van equality of arms. oftewel de gelijke procespositie van partijen.
Zie hierover nader par. 5.7 van Deel II.
Zie noot 89 hiervoor.
Wel is de jurisprudentie van de Raad inzake de medische besluitenregeling en artikel 6 EVRM nog aan bod gekomen in onder meer een uitspraak in 2003, CRvB 7 januari 2003, USZ 2003/139. De Raad overweegt echter ook in deze uitspraak onder verwijzing naar zijn uitspraak van 13 februari 2002, USZ 2002/101 slechts dat 'een bestuursorgaan, anders dan de rechter, niet gehouden kan worden geacht om op grond van artikel 6 van het EVRM af te wijken van de medische besluitenregeling en met name van art. 88c van de WAO, in het kader van de heroverweging in bezwaar van een eerder genomen besluit.' Hoewel de Raad hier niet expliciet ingaat op de toepasselijkheid van artikel 6 op de bezwaarfase, kan uit deze op de omstandigheden van het geval toegespitste overweging wellicht toch worden afgeleid dat de Raad van oordeel is dat de vereisten uit dit artikel geen betekenis hebben voor de bezwaarfase.
AbRvS 12 juli 2006, AB 2008/144 m.nt. A.M.L. Jansen; JB 2006/268 m.nt. Wenders, r.o. 2.4. De Afdeling heeft eerder al overwogen dat de in art. 6 EVRM neergelegde normen niet rechtstreeks van toepassing zijn op de bestuurlijke besluitvorming (zie: AbRvS 8 mei 2002, AB 2002/299 m.nt. Sew). In een uitspraak van 18 november 2009 overweegt de Afdeling nogmaals dat het fair trial beginsel van artikel 6 EVRM niet geldt voor de bezwaarschriftprocedure, omdat sprake is van verlengde besluitvorming, AbRvS 18 november 2009, nr. 200903566/1512. Zie anders: De Waard die het vereiste van equality of arms als onderdeel van het verdedigingsbeginsel beschouwt (De Waard 1987, p. 127 en hfst. 7). Op dat vereiste wordt in par. 4.3.5 van Deel I nader ingegaan.
Zie mijn noot bij JB 2006/268 en A.M.L Jansen in zijn noot bij AB 2008/144 en in zijn bijdrage 'De deskundige en een fair trial', M&R 2008, p. 223-226. Zie ook De Waard die het vereiste van equality of arms als onderdeel van het verdedigingsbeginsel beschouwt (De Waard 1987, p. 127 en hfst. 7). Op het vereiste van equality of arms wordt in par. 4.3.5 van Deel I nader ingegaan.
EHRM 18 maart 1997, Mantovanelli t. Italië, JB 1997/112 m.nt. Heringa; NJ1998/278 m.nt. Snijders.
AbRvS 22 november 2006,.7E 2007/12 m.nt. AB; AB 2008/62 m.nt. N. Verheij.
Deze begrippen worden soms met elkaar vereenzelvigd en met de goede procesorde wordt in bepaalde gevallen ook de eisen voor een eerlijk proces of beginselen behoorlijke rechtspraak bedoeld, zie hierover: B.W.N. de Waard, 'De goede procesorde', JB-plus 2001, p. 149-153.
In de praktijk worden de voor rechterlijke procedures geldende procedurele vereisten veelal direct of indirect gegrond op artikel 6 EVRM, dat ook primair en vooral betrekking heeft op de procedure bij een rechterlijke instantie. De vraag of en in hoeverre de vereisten van artikel 6 EVRM en de daaruit voortvloeiende procedurele waarborgen van toepassing zijn op de bestuurlijke fase, in het bijzonder de bestuurlijke voorprocedures, is evenwel een aantal malen aan bod gekomen in de jurisprudentie. Allereerst is een aantal uitspraken van de Centrale Raad omtrent artikel 6 EVRM en de bezwaarfase van belang.1 De Centrale Raad neemt in die uitspraken geen geheel eenduidig standpunt in omtrent de toepasselijkheid van de vereisten voortvloeiend uit artikel 6 EVRM in de bezwaarfase. In een uitspraak overweegt hij bijvoorbeeld:
”De Raad kan zich grotendeels verenigen met hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd met betrekking tot de toepassing van de in dit geding aan de orde zijnde elementen van artikel 6 van het EVRM in de bezwaarschriftprocedure. Daarbij acht de Raad van belang dat in de door appellant genoemde arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en in het arrest van dat Hof van 3 mei 2001 in de zaak van de Vereniging Landelijk Overleg Betuweroute tegen Nederland (nr. 46664/99) steun kan worden gevonden voor de conclusie dat deze bepaling — in ieder geval voor wat betreft de in dit geding aan de orde zijn elementen ervan [curs. DW] — uitsluitend ziet op procedures van rechterlijke aard•"2
Hoewel de Centrale Raad voorop stelt dat artikel 6 EVRM betrekking heeft op de procedure bij de rechter wordt toch de mogelijkheid opengelaten voor toepassing van de vereisten uit dit artikel op de bezwaarschriftprocedure door de gecursiveerde zinsnede.3 Op basis van die overweging lijkt voor het antwoord op de vraag of en in hoeverre artikel 6 EVRM van toepassing is op de bestuurlijke voorfase bepalend te zijn om welk vereiste van dat artikel het gaat.4 Dat zou betekenen dat een algemeen standpunt inzake de toepasselijkheid van artikel 6 EVRM op de bestuurlijke voorprocedure — volgens de Centrale Raad — niet te geven is en dat met inachtneming van de omstandigheden van het geval en per vereiste bezien dient te worden of en in hoeverre dit vereiste betekenis heeft voor de bestuurlijke voorprocedures. Mogelijk laat de Centrale Raad echter een kleine opening, omdat het redelijke termijn-vereiste uit artikel 6 EVRM in elk geval van toepassing is op de bezwaarfase. 5 Eerder overwoog de Centrale Raad al in een andere uitspraak dat in het midden kon worden gelaten of de in de desbetreffende zaak aan de orde zijnde elementen van artikel 6 EVRM rechtstreeks van toepassing waren op de bezwaarfase.6 Het uitgangspunt lijkt — voor de Centrale Raad — echter te zijn dat artikel 6 EVRM ziet op de rechterlijke procedure. De Centrale Raad stelt immers steeds voorop dat de in het geding zijn elementen van artikel 6 EVRM uitsluitend zien op de rechterlijke procedure en een bestuursorgaan niet gehouden kan worden, anders dan de rechter, om op grond van artikel 6 EVRM om af te wijken van de medische besluitenregeling.7 Welke opvatting de Centrale Raad exact is toegedaan, komt echter niet eenduidig in deze uitspraken naar voren en voor zover ik heb kunnen nagaan is deze kwestie daarna ook niet meer (zo expliciet) aan bod gekomen in de jurisprudentie (van de Centrale Raad).8
De Afdeling daarentegen geeft in stelliger bewoordingen haar benadering aan. In een uitspraak van 12 juli 2006 stelt de Afdeling, zonder nadere motivering, dat het beginsel van equality of arms niet van toepassing is op bestuurlijke besluitvorming en dat derhalve het betoog van de appellant dat de beslissing op bezwaar in strijd met dat beginsel genomen was faalt.9 De Afdeling lijkt het bestuurlijke karakter van de bezwaarfase voorop te stellen. In het verlengde daarvan lijkt zij de werking van het beginsel van equality of arms dat primair betrekking heeft op de rechterlijke fase, in de bezwaarfase geheel uit te sluiten. Omdat de motivering ontbreekt, staat echter niet onomstotelijk vast waarop de Afdeling haar overwegingen baseert dat het beginsel van equality of arms niet van toepassing is op bestuurlijke besluitvorming. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat de Afdeling het vereiste van equality of arms vooral in verband brengt met artikel 6 EVRM, dat primair gericht is op de rechterlijke procedure. Uit de uitspraak blijkt echter niet of de appellant een beroep op artikel 6 EVRM had gedaan dan wel zich beriep op het ongeschreven nationale beginsel van behoorlijke rechtspleging van hoor en wederhoor, waarvan equality of arms onderdeel uitmaakt.10
Een andere uitspraak van 22 november 2006 biedt meer duidelijkheid. Het bestuur had in die zaak een besluit genomen onder verwijzing naar een negatief advies van een adviescommissie. Het besluit hield een afwijzing van een subsidieaanvraag in. In bezwaar werd het besluit gehandhaafd na uitbrenging van een nader advies van de adviescommissie. De rechtbank vernietigde het besluit onder verwijzing naar het Mantovanelliarrest van het EHRM11, omdat het beginsel van hoor en wederhoor en het recht op tegenspraak zou zijn geschonden doordat de aanvrager niet in de gelegenheid was gesteld zijn standpunten toe te lichten bij de adviescommissie voordat het advies werd uitgebracht. Dat leverde strijd op met artikel 3:9 Awb, volgens de rechtbank. Het bestuur gaat met succes in hoger beroep bij de Afdeling. De Afdeling overweegt over de toepasselijkheid van het Mantovanelli-arrest:
”In het Mantovanelli-arrest is geoordeeld dat indien een rechter een vraag die betrekking heeft op een (technische) kwestie ter zake waarvan hij niet deskundig is, ter beantwoording voorlegt aan een deskundige in een geschil waarin de betrokken vraag identiek is aan de vraag waarover de rechter heeft te beslissen, het beginsel van hoor en wederhoor, zoals dat geldt voor de rechterlijke procedures, is geschonden indien partijen hun standpunt over het deskundigen rapport niet kenbaar hebben kunnen maken, voordat de deskundige zijn rapport bij de rechter indient. Hiermee wordt ten behoeve van een eerlijk proces beoogd te waarborgen dat de rechter het standpunt van partijen op adequate wijze in zijn oordeel betrekt. Bij de aanwending van de hem toegekende bevoegdheden beschikt het bestuur veelal, zoals ook in dit geval, over eigen materie-deskundigheid en voor de fase van de bestuurlijke besluitvorming gelden andere normen dan voor de procedure bij de rechter. In die fase staat centraal, de gehoudenheid van het bestuur actief de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren."12
De Afdeling stelt zich onomwonden op het standpunt dat op de bestuurlijke besluitvorming andere normen (dan die voortvloeien uit of samenhangen met artikel 6 EVRM) van toepassing zijn dan op de procedure bij de rechter. Daarbij lijken de typisch bestuurlijke elementen aan de werkzaamheid van het bestuur de doorslag te geven, ongeacht de fase waarin de besluitvorming zich bevindt.13
In de hiervoor aangehaalde uitspraken staat de toepasselijkheid van het equality of arms-vereiste uit artikel 6 EVRM op de bestuurlijke besluitvormingsprocedures centraal. Mogelijk zijn de bestuursrechters, vanwege de omstandigheid dat deze bepaling in beginsel ziet op rechtspraak, terughoudend met de aanname van toepasselijkheid van dat vereiste op de bestuurlijke procedures. In hoeverre dezelfde aarzeling te bespeuren is bij de beginselen van behoorlijke rechtspleging of goede procesorde14 dan wel andere vereisten uit artikel 6 EVRM zal het onderzoek in Deel II moeten uitwijzen. Vooralsnog kan worden volstaan met de constatering dat de verschillen tussen bestuur en rechter er voor de bestuursrechter toe lijken te leiden dat andere vereisten gelden voor de procedures bij deze organen.