Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.3.4
5.3.4 Enkele voordelen van de opvatting van de heersende leer
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS495116:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
In het Duitse recht is dit het geval en voor het Nederlandse recht is dit bepleit door Scheltema (1997). Zie hoofdstuk 3, par. 3.3 en hieronder, par. 5.3.7.
Betoogd wordt doorgaans dat dit artikel andere vereisten kent, zoals de eis dat er sprake moet zijn van een verrijking bij degene tegen wie de vordering wordt ingesteld, van een verarming bij degene die de vordering instelt en causaal verband tussen deze verarming en verrijking. Een luchtvaartmaatschappij die anders de stoel niet zou hebben verkocht, wordt wanneer zij haar vordering baseert op onverschuldigde betaling niet geconfronteerd met het verweer dat er geen sprake is van een concrete verarming of schade. Ik meen overigens dat art. 6:212 geen concrete verarming vereist, althans zou behoren te vereisen. Dat doet overigens niets af aan het bezwaar dat in een dergelijk geval art. 6:212 niet in stelling behoort te worden gebracht. art. 6:212 dient in andere gevallen dan prestaties een aanspraak te geven, te weten in gevallen waarin inbreuk wordt gemaakt op een exclusieve rechtspositie, terwijl prestaties zonder rechtsgrond op grond van art. 6:203 dienen te worden teruggevorderd. Zie hierover het vorige hoofdstuk, par. 4.4.5-4.4.6.
Zie hoofdstuk 4, onder meer par. 4.4.6. Overigens kan dit geval ook als een inbreuk op een recht van de luchtvaartmaatschappij worden beschouwd.
Hartkamp 1974, p. 379; Bartels 2004 p. 144.
Zie over samengestelde titels: Bartels 2004, p. 84-89 en 248-253.
Nieskens-Isphording 1998a; Bartels 2002, p. 580-581; Bartels 2004, p. 157-158; Asser/Hartkamp & Sieburgh 2011 (6-IV*), nr. 433.
Bartels (2004, p. 154) meent dat een samengestelde rechtsgrond alleen kan worden aangenomen als de presterende partij (A) de bedoeling heeft zowel zijn eigen schuld aan B na te komen als de schuld die zijn schuldeiser (B) heeft jegens degene die de prestatie in ontvangst neemt (C). Echter, in veel gevallen waarin B aan A verzoekt om rechtstreeks te presteren aan C, is C voor A niet meer dan een betaaladres. C zou dan slechts verkrijgen op grond van AB, terwijl zijn vordering op B wel door A wordt nagekomen. Bovendien heeft een samengestelde rechtsgrond dat gebreken in de relatie BC gevolgen hebben voor A, terwijl A geen volledig zicht heeft op deze rechtsverhouding. Zie ook: Asser/Hartkamp & Sieburgh 2011 (6-IV*), nr. 433, 435.
par. 5.5.
In de literatuur wordt aangevoerd dat de opvatting van de heersende leer over de begrippen betaling en rechtsgrond enkele voordelen heeft, die in deze subparagraaf worden besproken.
(i) Onbewust verrichte prestaties vallen onder het prestatiebegrip
Als voordeel kan worden genoemd dat onbewust verrichte handelingen als prestaties kunnen worden aangemerkt. Het vervoeren van een verstekeling vormt daarvan een voorbeeld. Wanneer een bedoeling met de handeling vereist zou zijn om van een prestatie te kunnen spreken,1 zou de vervoerder geen betaling in de zin van artikel 6:203 hebben verricht. Hij zou dan zijn vordering tot vergoeding van zijn prestatie moeten baseren op artikel 6:212 (ongerechtvaardigde verrijking).2 Het prestatiebegrip van de heersende leer maakt het mogelijk dat de vordering uit artikel 6:203 in dit geval de functie kan vervullen die zij heeft in het systeem van het Burgerlijk Wetboek: de prestatie kan worden teruggevorderd als een onverschuldigde betaling, omdat voor de prestatie geen rechtvaardiging bestaat.
Ik meen dat het inderdaad een voordeel is dat een partij die onbewust zonder rechtsgrond een prestatie verricht, deze kan terugvorderen op grond van artikel 6:203 en niet is aangewezen op artikel 6:212. Artikel 6:212 dient naar mijn mening in andere gevallen dan prestaties een aanspraak te geven, namelijk in gevallen waarin inbreuk wordt gemaakt op een exclusieve rechtspositie.3
(ii) Begrippen ‘prestatie’ en ‘levering’ parallel aan ‘rechtsgrond’ en ‘leveringstitel’
Een ander voordeel zou zijn dat het leverings- en titelbegrip van artikel 3:84 en het betalings- en rechtsgrondbegrip van artikel 6:203 parallel lopen.4 Een voorbeeld waarin een afgekorte levering plaatsvindt, maakt de beoogde parallellie duidelijk. A heeft een verplichting om een zaak te leveren aan B en B heeft een verplichting om een zelfde zaak te leveren aan C. Op verzoek van B levert A rechtstreeks aan C. Aangezien de bedoeling van A om zijn verbintenis jegens B na te komen niet van belang is bij de uitleg van het begrip betaling in artikel 6:203, wordt aangenomen dat A betaalt (presteert) aan C. De afgekorte levering AC vormt dus ook een afgekorte betaling AC.
Bovendien zouden ook de begrippen ‘titel’ en ‘rechtsgrond’ samengesteld zijn. De titel wordt doorgaans gedefinieerd als de rechtsverhouding die (of het rechtsfeit dat) de eigendomsovergang in het maatschappelijk verkeer op economische of andere gronden rechtvaardigt. Aangenomen wordt dat de titel voor de eigendomsoverdracht bij een afgekorte levering bestaat uit de optelsom van de rechtsverhouding tussen A en B en tussen B en C, die men een samengestelde titel noemt.5 Als een manco blijkt te bestaan in de rechtsverhouding AB of BC moet worden geconcludeerd dat er geen geldige overdrachtstitel bestaat, zodat A eigenaar van de geleverde zaak is gebleven. Bij een afgekorte betaling zou de rechtsgrond voor de betaling ook samengesteld zijn en bestaan uit de optelsom van de rechtsverhoudingen AB en BC.6 De heersende leer stelt immers voorop dat alleen een prestatie wordt verricht door A aan C. Vervolgens moet een rechtvaardiging worden aangewezen voor deze prestatie.
Deze rechtvaardiging volgt volgens de heersende leer niet enkel uit de rechtsverhouding AB; deze rechtsverhouding zou geen afdoende verklaring bieden waarom A presteert aan C in plaats van aan B. De rechtvaardiging voor de prestatie volgt ook niet enkel uit de rechtsverhouding BC; deze rechtsverhouding verklaart niet waarom A in plaats van B de prestatie verricht. De heersende leer neemt daarom aan dat de rechtsverhouding AB en de rechtsverhouding BC samen de prestatie AC rechtvaardigen. 7 Bij een gebrek in AB of BC valt een deel van de samengestelde rechtsgrond weg. Net zoals de titel voor overdracht ontbreekt, zou ook een rechtsgrond ontbreken voor de betaling van A aan C. A heeft dan zowel een vordering uit onverschuldigde betaling tegen C als de revindicatie, die hij ook tegen C kan instellen. Door het betalingsbegrip aldus op te vatten, loopt het verbintenissenrecht parallel aan het goederenrecht.
Ik meen dat het verbintenissenrecht inderdaad moet aansluiten op het goederenrecht. Echter, ik meen dat het daarvoor niet nodig is om de rechtsgrond op te vatten als een optelsom van verschillende rechtsverhoudingen. Ik kom hier nog op terug.8