Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.3.3
5.3.3 Het begrip rechtsgrond volgens de wetgever en de heersende leer
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS500038:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
PG Boek 6, p. 805.
Anders dan de minister (PG Boek 6, p. 805), meen ik met Eggens (1930, p. 171-174) dat bij schenking wel een eenzijdige verplichting ontstaat om een prestatie te verrichten. Deze verplichting bestaat gedurende een ondeelbaar moment, de zogenaamde ‘juridische seconde’. Dit moment valt samen met het moment waarop de schenking plaatsvindt. Zo ook Schoordijk 1986, p. 263. Vgl. echter ook zijn opmerkingen op p. 266-267. Wellicht lijkt de theorie van de ‘juridische seconde’ op het eerste gezicht wat gezocht, maar zij is volgens mij een onmisbaar juridisch instrument. Zo is de juridische seconde ook noodzakelijk om transacties te duiden zoals de pinbetaling in de supermarkt. De pinopdracht wordt door de bank real time uitgevoerd. De bank is dan gedurende een ondeelbare seconde verplicht om de opdracht ter grootte van het gepinde bedrag uit te voeren. Immers, volgens de Hoge Raad rust op de bank een verplichting om een betalingsopdracht uit te voeren, zie HR 28 april 2006, NJ 2006/503 (Huijzer q.q./Rabobank) en HR 23 maart 2012, NJ 2012/421 (ING/Manning q.q.).
In Asser/Hartkamp & Sieburgh 2011 (6-IV*), nr. 426 wordt erop gewezen dat de rechter de overeenkomst ook met terugwerkende kracht kan wijzigen. In dat geval wordt een fictie gebruikt: de overeenkomst zou van meet af aan niet tot het verrichten van de prestatie hebben verplicht. Het moet er dan voor worden gehouden dat de prestatie wel onverschuldigd is verricht.
Vermogensrecht (Jongbloed) Inleiding op art. 296-305d. Vgl. HR 2 december 1966, NJ 1967/353 (Michel/Beverdam), waar werd geoordeeld dat een levering op grond van een veroordelend kortgeding vonnis geen gevolg had, toen de rechter in een bodemprocedure tot een ander oordeel kwam. Voor de levering op grond van het kortgeding vonnis ontbrak een geldige titel, omdat de rechtsverhouding tussen de partijen niet werd bepaald door het kortgeding vonnis. Het kortgeding vonnis bevatte slechts een voorlopig oordeel over deze rechtsverhouding. Zie over het titel- en rechtsgrondbegrip echter ook hieronder (ii).
Het begrip prestatie vormt een paar met het begrip rechtsgrond. Artikel 6:203 bepaalt dat een betaling ‘als onverschuldigd betaald’ kan worden teruggevorderd als zij is verricht zonder dat daarvoor een rechtsgrond bestaat. Dat is bijvoorbeeld het geval als een prestatie niet verschuldigd is, maar wordt verricht door een schuldenaar die meende dat hij wel tot betalen verplicht was. Het gaat bij artikel 6:203 echter niet om de vraag of een prestatie onverschuldigd is. Vereist is dat een rechtsgrond voor de prestatie ontbreekt. Volgens de parlementaire geschiedenis gaat het erom of een ‘causa’, een feit dat het geven rechtvaardigt, aanwezig is.1 In de parlementaire geschiedenis wordt benadrukt dat met de formulering van artikel 6:203 tot uitdrukking komt dat het niet gaat om het ontbreken van een verplichting om te presteren.
In de parlementaire geschiedenis wordt een voorbeeld gegeven van een geval waarin geen verplichting bestaat om te presteren, terwijl toch een rechtsgrond voor de prestatie kan worden aangewezen. In het voorbeeld zijn A en B overeengekomen dat B verplicht zal zijn om iets te doen indien A een zeker bedrag betaalt (het geval wordt wel aangeduid als do ut des). A is dan niet verplicht om te betalen Als A desondanks betaalt, kan hij niet terugvorderen, omdat voor zijn prestatie een geldige rechtsgrond bestaat.2
Ook het spiegelbeeld van dit voorbeeld kan zich voordoen. A is dan verplicht tot presteren, maar voor de prestatie die hij verricht, ontbreekt een rechtsgrond. Bijvoorbeeld, een overeenkomst verplicht tot een prestatie, die door de schuldenaar wordt verricht. Vervolgens wordt de overeenkomst door de rechter gewijzigd wegens onvoorziene omstandigheden (artikel 6:258). Als de rechter de overeenkomst zodanig wijzigt dat de prestatie moet worden teruggegeven, is de prestatie niet onverschuldigd verricht, maar ontbreekt voor de prestatie wel een rechtsgrond.3 Verder kan men denken aan een betaling die wordt gedaan op grond van een veroordelend kortgeding vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. De veroordeling tot betaling is gebaseerd op een voorlopig oordeel van de rechter, dat ondanks zijn voorlopige karakter tot betaling verplicht. Als in de bodemprocedure komt vast te staan dat de executerende partij geen recht had op de betaling, kan de veroordeelde partij haar prestatie terugvorderen.4