Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.3.7
5.3.7 Het subjectieve betalingsbegrip
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS495117:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Scheltema 1997, p. 41. Zie ook HR 29 januari 2010, NJ 2010/70; in de casus van dit arrest heeft Nova (A) geld overgemaakt naar een rekening van IFN (C), terwijl A in de veronderstelling verkeerde een bedrag te hebben betaald aan IJW (B). Het hof stelt (in r.o. 5 van zijn arrest van 29 januari 2008) vast dat C een niet-bestaande vordering van B op A heeft 'geïncaseerd', en dat C daarbij handelde op grond van een geldige volmacht van B. Het hof oordeelt dat A daarom alleen aan B (en niet ook aan C) heeft betaald. De Hoge Raad verwerpt de motiveringsklachten van A tegen het feitelijke oordeel van het hof dat (alleen) C (en niet B) de vordering heeft 'geïncasseerd' (r.o. 5.2). De Hoge Raad wijdt bovendien een overweging ten overvloede aan het betoog van A dat hij meende aan B te hebben betaald (er kleefde een fataal gebrek aan het cassatiemiddel zodat het 'reeds daarom' niet kon slagen). Daardoor zou – zo begrijp ik hem, net als A-G Wuijsman in nr. 4.4 van zijn conclusie vóór het arrest – van vertegenwoordiging van B door C geen sprake zijn, en zou C in eigen naam hebben ontvangen. A zou dan wel van C kunnen terugvorderen. De Hoge Raad overweegt echter dat ook als A’s betoog juist zou zijn, hij niet van C kan terugvorderen uit hoofde van art. 6:203 (r.o. 5.3), omdat dan de betaling door B en niet door C in ontvangst zouden zijn genomen. De betekenis van dit obiter dictum is mij niet geheel duidelijk. Betekent deze overweging dat de Hoge Raad de bedoeling van de betaler van belang acht voor de vraag wie de ontvanger van de betaling is?
Hoofdstuk 3, par. 3.3. Zie over het oude recht: Damminga 2006, p. 61-66. De Hoge Raad heeft zich daar naar mijn weten nooit over uitgelaten.
Scheltema 1997, p. 77-82. Verder stelt Scheltema dat als het betalingsbegrip van art. 6:203 subjectief zou worden opgevat, het betalingsbegrip weer in de pas zou lopen met de overige bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Volgens hem zou de wetgever er namelijk in het algemeen van uitgaan dat een betaling een eenzijdige rechtshandeling is (Scheltema 1997, p. 42). Dit argument overtuigt naar mijn mening niet. Scheltema doelt met ‘betaling’ op de nakoming van een verbintenis. Als met het verrichten van een betaling zonder rechtsgrond al een rechtsgevolg is beoogd, is dit rechtsgevolg in ieder geval niet bereikt. Juist omdat dit rechtsgevolg niet is bereikt kan de prestatie worden teruggevorderd. Omdat de vordering uit onverschuldigde betaling voor een wezenlijk andere situatie is gegeven dan het geval waarin is nagekomen, is er geen enkele noodzaak om te zorgen dat beide begrippen parallel lopen. Bovendien is dit argument gebaseerd op een onjuiste opvatting van het begrip rechtshandeling. Een rechtshandeling wordt vaak gedefinieerd als ´een handeling met een beoogd rechtsgevolg´. Daarmee wordt bedoeld een handeling die het rechtsgevolg heeft dat met de handeling is beoogd. Dat een handeling wordt verricht met een bedoeling dat een rechtsgevolg intreedt, maakt de handeling nog niet tot een rechtshandeling; het rechtsgevolg moet naar mijn mening ook werkelijk intreden.
Scheltema 1997, p. 111-117.
Zie voor een analyse van meerpartijenverhoudingen en de wenselijke uitkomsten hoofdstuk 6.
Een alternatief voor het objectieve betalingsbegrip van de heersende leer is voorgesteld door Scheltema. In dit alternatief moet een onderscheid worden gemaakt tussen prestaties en betalingen. Een prestatie is een objectieve kwalificatie van een feitelijke handeling, terwijl een betaling een prestatie is waarmee een rechtsgevolg wordt beoogd.1 Een betaling is ‘zonder rechtsgrond’ verricht wanneer de bedoeling waarmee de prestatie is verricht niet wordt verwezenlijkt. Het betalings- en rechtsgrondbegrip van Scheltema zijn dus subjectief. Niet alle bedoelingen zijn volgens Scheltema relevant. Alleen van belang zijn de bedoeling om: een verbintenis te voldoen; een ander te bevoordelen; een toekomstige schuld bij voorbaat te voldoen; en de ontvanger te bewegen tot een bepaalde (tegen) prestatie. Wat de relevante bedoeling van een prestatie is, moet worden beoordeeld vanuit het perspectief van degene die de prestatie in ontvangst heeft genomen. Het voorstel van Scheltema sluit aan bij Duitse heersende leer en de Nederlandse literatuur over het oude recht.2
Volgens Scheltema leidt het subjectieve betalingsbegrip in driepartijenverhoudingen tot betere uitkomsten dan het objectieve prestatiebegrip van de heersende leer.3 Hij stelt voorop dat als een partij heeft betaald aan een andere partij dan met wie een gebrekkige rechtsverhouding moet worden afgewikkeld, de afwikkeling met behulp van de vordering uit onverschuldigde betaling dient plaats te vinden tussen partijen bij die gebrekkige rechtsverhouding. Hij werkt dit uitgangspunt uit aan de hand van talrijke voorbeelden.
Een daarvan betreft de afgekorte betaling, waarmee de benadering van Scheltema kan worden geïllustreerd.4 A meent een schuld te hebben aan B, terwijl B een schuld meent te hebben aan C. A verricht in opdracht van B rechtstreeks een prestatie aan C. Omdat A de bedoeling heeft om de schuld AB te voldoen, betaalt hij aan B. En omdat B de bedoeling heeft om door middel van A de schuld BC te voldoen, betaalt B aan C. Als een manco kleeft aan AB, is de bedoeling van A om zijn schuld na te komen aan B niet verwezenlijkt. Daardoor is A’s betaling zonder rechtsgrond en kan A het betaalde terugvorderen van B. Evenzo zorgt een manco in BC ervoor dat de bedoeling van B om zijn schuld na te komen niet is verwezenlijkt, zodat zijn betaling zonder rechtsgrond is. B kan van C terugvorderen. Dit is precies de uitkomst die wenselijk is.5