Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/3.4.5
3.4.5 De bedrijfswaarde in relatie tot het begrip vermogenswaarde
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS347976:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
HR 18 maart 1992, nr. 27 461, BNB 1992/184, FED 1992/432 met noot van G.T.K. Meussen.
Zie noot G.T.K. Meussen onder het arrest in FED 1992/432.
Vergelijk in dit verband nog het arrest van 6 maart 1991, nr. 26 814, BNB 1991/125 waarbij de Hoge Raad spreekt over een 'bijzondere afschrijving'.
HR 23 september 1992, nr. 28155, BNB 1993/60 met noot van N.H. de Vries, FED 1992/861 met noot van Th.S. IJsselmuiden.
De verwijzingsuitspraak van Hof Arnhem is voor zover bekend niet gepubliceerd.
Annotatie onder HR 23 september 1992, nr. 28 155, FED 1992/ 861.
HR 18 maart 1992, nr. 27 461, BNB 1992/184, FED 1992/432 met noot van G.T.K. Meussen.
Vermogenswaarde
In het huidige tijdsgewricht wordt nogal wat over de aard van het begrip bedrijfswaarde gespeculeerd, met name daar waar de Hoge Raad in dat verband spreekt over vermogenswaarde. Op 18 maart 19921 heeft de Hoge Raad een interessant arrest gewezen over de afwaardering van tonnagevergunningen. Interessant, omdat daarin ook de vraag aan de orde komt welke bijdrage een specifiek bedrijfsmiddel aan het resultaat van een onderneming levert.
In casu gaat het om een transportbedrijf dat in de jaren 1976 tot en met 1984 f 168 575 heeft opgeofferd voor de verkrijging van tonnagevergunningen. Aangezien de zogenaamde tonnagestop op 15 november 1985 wordt opgeheven, waardeert belanghebbende haar vergunningen ultimo 1985 op nihil. Nieuwe vergunningen kunnen nu bij de overheid om niet worden verkregen mits aan eisen van vakbekwaamheid wordt voldaan.
Het Hof volgt belanghebbende in haar afwaardering want een potentiële gegadigde zou immers (in de visie van het Hof) voor overname van belanghebbendes onderneming aan de vergunningen als afzonderlijk activum geen waarde toekennen.
De staatssecretaris wijst deze visie van het Hof af en stelt cassatie in. Naar zijn mening is dit rechtscollege bij de bepaling van de bedrijfswaarde van de vergunningen ten onrechte uitgegaan van een waarde buiten het verband van de onderneming. Met andere woorden: de winstpotentie van de onderneming heeft door het opheffen van de tonnagestop geen verandering ondergaan; in ieder geval geen daling. De staatssecretaris stelt onomwonden dat op deze wijze in strijd met goed koopmansgebruik een verlies tot uitdrukking gebracht wordt dat niet is geleden.
Vervolgens acht de Hoge Raad de afwaardering in casu niet in strijd met goed koopmansgebruik aangezien de vermogenswaarde van de vergunningen (ingevolge omstandigheden die zich in 1985 hebben voorgedaan) blijvend verloren is gegaan.
Het wekt bevreemding dat de Hoge Raad in het geheel niet rept over de bedrijfswaarde doch refereert aan het begrip vermogenswaarde2. In de meeste arresten over het begrip bedrijfswaarde herhaalt hij de abstracte definitie van dit begrip. Het gebruik in casu van de term vermogenswaarde roept dan ook de vraag op of hier sprake is van een extra-afschrijving zoals deze ook kan worden toegepast bij onroerende zaken (indien door een abnormale gebeurtenis zodanige schade aan het object is toegebracht dat de omvang van de hersteluitgaven als kapitaaluitgaven moeten worden beschouwd)3. De abnormale gebeurtenis zou bij de vergunningen dan het intrekken van de tonnagestop moeten zijn.
Dit zou verklaren waarom de Hoge Raad niet op het cassatiemiddel ingaat. Want als de boekwaarde van de tonnagevergunningen reeds door een extra-afschrijving tot nihil is teruggebracht, dan behoeft het middel geen behandeling. Het stelsel is immers kostprijs minus afschrijvingen (inclusief extra-afschrijvingen) of lagere bedrijfswaarde.
Tegen deze opvatting pleit dat de Hoge Raad in dit arrest niet spreekt over enige vorm van extra-afschrijven maar slechts over het 'ten laste van de winst van belanghebbende' brengen van de historische kostprijs van de vergunningen.
Geconstateerd moet worden dat geen eenduidige verklaring kan worden gegeven voor de overwegingen van de Hoge Raad aangaande de vermogenswaarde; dit bezien vanuit de optiek van de bedrijfswaardebenadering die ons hoogste rechtscollege normaliter kiest.
Nettovermogenswaarde
En nog een keer komt het begrip vermogenswaarde in relatie tot de bedrijfswaarde aan de orde (en wel in de betekenis van nettovermogenswaarde) te weten in een arrest van 23 september 19924. Hierbij gaat het om een besloten vennootschap die in 1984 de helft van het geplaatst en gestort aandelenkapitaal in A BV verwerft tegen een koopsom van f 1, alsmede de helft van een vordering in rekening-courant op A BV, nominale waarde 50% van f 3 720 213,21, tegen een koopsom van f 874 999. Het aandelenkapitaal van A BV wordt in 1984 met nominaal f 3 714 000 uitgebreid, waarvan belanghebbende de helft verkrijgt door compensatie met voornoemde vordering in rekening-courant. De kostprijs van de deelneming in A BV bedraagt derhalve f 875 000. Per 31 december 1984 heeft belanghebbende haar deelneming in A BV gewaardeerd op f 548 602 zijnde de nettovermogenswaarde van deze deelneming.
Nu oordeelt de Hoge Raad dat waardering van de deelneming op kostprijs of lagere nettovermogenswaarde niet in overeenstemming is met goed koopmansgebruik. Bedoeld stelsel zou namelijk kunnen leiden tot een waardering van de deelneming op een lager bedrag dan zowel de kostprijs als de bedrijfswaarde. Volgens ons hoogste rechtscollege zou dit stelsel met zich meebrengen dat verliezen tot uitdrukking worden gebracht, die in feite niet zijn geleden. De Hoge Raad overweegt verder: 'Daaraan doet niet af dat art. 2:389 BW (in de destijds geldende tekst) waardering op de grondslag van de nettovermogenswaarde toelaat, aangezien deze bepaling is gericht op verschaffing van het in art. 2:362, eerste lid, BW omschreven inzicht en op verwezenlijking van de zogenoemde vermogensbescherming, en die te dien einde met betrekking tot deelnemingen voorschriften geeft, die voor de heffing van vennootschapsbelasting niet van belang zijn.'
Vervolgens verwijst de Hoge Raad de zaak naar Hof Arnhem om te laten onderzoeken of het door belanghebbende gestelde onverwachte verlies (alsmede andere depreciërende factoren) van betekenis kunnen zijn voor de vermindering van de bedrijfswaarde van de deelneming5.
Onjuist is de visie van Usselmuiden6 die stelt dat waardering van de deelneming op nettovermogenswaarde (of op intrinsieke waarde) in overeenstemming is met goed koopmansgebruik. De bedrijfswaarde kan volgens hem hoger zijn dan voormelde waarden indien de verwachte winsten boven de rente (marktpremie plus risicopremie) over de nettovermogenswaarde respectievelijk de intrinsieke waarde liggen. Daalt de bedrijfswaarde beneden de kostprijs, respectievelijk de nettovermogenswaarde of de intrinsieke waarde, dan moet de deelneming op de bedrijfswaarde worden gewaardeerd. Een hogere bedrijfswaarde mag in zijn visie dan ook in de waarde op de balans tot uitdrukking komen.
De nettovermogenswaarde van een deelneming heeft evenwel geen enkele relatie met de bedrijfswaarde daarvan. De feitelijke vermogenspositie van de deelneming zegt immers niets over de bijdrage die de deelneming aan het resultaat van de onderneming levert.
De Hoge Raad heeft met dit arrest definitief beslist dat voor de fiscaliteit de functie van de balans niet die van vermogensbepalende maar van winstbepalende balans is. Daarmee is er dus geen identiteit tussen de fiscale en de commerciële jaarrekening, en is de hiervoor aangehaalde visie van Van der Zanden daarmee achterhaald. De allereerste functie van de fiscale balans is de winst in jaarmoten goed tot uitdrukking te brengen en daarnaast de totaalwinst niet uit het oog te verliezen. Door deze functionele eis is de vermogensvergelijking als wijze van winstbepaling verlaten en gaat het om de jaarwinstbepaling en niet om de vermogensbepaling.
Het is vervolgens de vraag welke functie de bedrijfswaarde nog vervult indien de balans als vermogensbepalend instrument buiten beschouwing wordt gelaten. In dit geval is de complexbenadering niet meer relevant en ook zou een benadering vanuit de verkoopwaarde in dat kader vreemd aandoen. Wellicht is het zo dat de verklaring van het begrip bedrijfswaarde deels in de voorzichtigheid moet worden gezocht. Vanuit dit standpunt zou het tonnagevergunningarrest7 ook te verklaren zijn. Maar is het vermogensverlies inzake de tonnagevergunningen realiter ook geleden? De opheffing van de tonnagestop heeft de winstgevendheid van belanghebbendes onderneming op zichzelf niet negatief beïnvloed. Kortom, het tonnagevergunningarrest alsmede de daaraan ten grondslag liggende redengeving van de Hoge Raad betreffende de vermogenswaarde is niet bevredigend.