Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.4.1.1
6.4.1.1 Wet op het nijverheidsonderwijs
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949366:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 1919, 593.
Artikel 29 van de Nijverheidsonderwijswet (Stb. 1919, 593).
Artikel 2 van het Koninklijk Besluit van 11 juli 1921, ter uitvoering van art. 29, tweede lid, der Nijverheidsonderwijswet (Stb. 1921, 919).
Artikel 47, eerste en tweede lid, van de Nijverheidsonderwijswet (Stb. 1919, 593).
Artikel 45 van de Nijverheidsonderwijswet (Stb. 1919, 593).
Artikel 44 van de Nijverheidsonderwijswet (Stb. 1919, 593).
Artikel 54 van de Nijverheidsonderwijswet (Stb. 1919, 593).
Artikel 54 van de Nijverheidsonderwijswet (Stb. 1919, 593).
Artikel 55 van de Nijverheidsonderwijswet (Stb. 1919, 593).
Artikel 48 van de Nijverheidsonderwijswet (Stb. 1919, 593).
De betrokkenheid van de Rijksoverheid bij het beroepsonderwijs heeft zich langzamer ontwikkelt dan in de andere onderwijssectoren.1Dit komt onder andere doordat initiatieven voor beroepsonderwijs al tot stand waren gekomen vanuit het bedrijfsleven. In 1921 kwam met de Wet op het nijverheidsonderwijs toch de eerste eigen wettelijke regeling voor het beroepsonderwijs tot stand.2 In de Nijverheidsonderwijswet werd onderscheid gemaakt tussen enerzijds de vakopleiding op de school en anderzijds de vakopleiding in de praktijk.3 De vakopleiding in de praktijk werd ook wel het leerlingenwezen genoemd. In grote lijnen is deze indeling van opleidingen nu nog terug te zien, ook de grote rol van het bedrijfsleven in het middelbaar beroepsonderwijs is onveranderd gebleven. Hierna wordt kort ingegaan op het schoolonderwijs en de vakopleiding in de praktijk zoals dat destijds bestond.
Schoolonderwijs
Binnen het schoolonderwijs aan een vakschool stond het praktische nut van het onderwijs voor een bepaald beroep voorop.4 De leerling die schoolonderwijs aan een vakschool tot het einde had bijgewoond en voldoende vorderingen had gemaakt kon in aanmerking komen voor een getuigschrift.5 Ter verkrijging van het getuigschrift van het middelbaar nijverheidsonderwijs diende de leerling het eindexamen, bestaande uit een schriftelijk, praktisch en mondeling gedeelte met goed gevolg af te leggen.6 Het examen werd afgenomen door de leraren en de directeur van de school, onder toezicht van door de minister aangestelde gecommitteerden.
Leerlingwezen
In het leerlingwezen werd de ontwikkeling van de leerling verdeeld over schoolonderwijs en onderwijs in de praktijk door een patroon.7 De patroon diende een bedrijf te hebben waarin de leerling voldoende praktijkervaring op kon doen met het betreffende ambacht, vak of beroep. Daarnaast moest er voldoende ruimte zijn voor de leerling om theoretisch schoolonderwijs te volgen. Tussen de leerling, de patroon en het bestuur van de school werd schriftelijk een leerovereenkomst aangegaan.8 In de leerovereenkomst werd onder andere beschreven hoeveel uur per week de leerling moet besteden aan de praktische opleiding gegeven door zijn patroon en hoeveel uur schoolonderwijs hij zou volgen.9
Als de leertijd van een leerling was verstreken werd hem eenmaal per jaar de gelegenheid gegeven om zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn bekwaamheid in het door hem gekozen ambacht, vak of beroep.10 Dit onderzoek werd afgenomen door een landelijke commissie.11 Als de student het onderzoek met goed gevolg had volbracht, werd aan hem een diploma uitgereikt.12 Op dit diploma werd vermeld in welk ambacht, vak of beroep de leerling was opgeleid. Als de leerling voor het verstrijken van de leertijd de leerbetrekking beëindigde dan was de patroon verplicht aan de leerling een getuigschrift te verstrekken.13 In dit getuigschrift werd vermeld welke werkzaamheden door de leerling waren verricht en hoe lang de leerling onder de patroon had gewerkt en geleerd. Daarnaast moest de patroon een omschrijving geven omtrent ijver, gedrag en bekwaamheid van de leerling.